ECLI:NL:RBDHA:2026:9303
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en terugkeerbesluit
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, had een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij zijn ex-echtgenote. Deze vergunning werd per 27 september 2024 ingetrokken omdat de relatie was beëindigd en eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden. Eiser diende een aanvraag in voor wijziging van verblijfsdoel op humanitaire gronden, welke werd afgewezen.
Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was, dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was opgelegd en dat de SIS-signalering onterecht was, waarbij hij stelde dat hij niet illegaal verbleef en dat dubbele bestraffing plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat eiser vanaf 27 september 2024 geen rechtmatig verblijf had en dat de intrekking en het terugkeerbesluit terecht waren. De SIS-signalering was verplicht en de stelling van dubbele bestraffing werd verworpen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond. Eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De rechtbank bevestigde dat de relatie tussen eiser en zijn ex-echtgenote definitief was beëindigd en dat eiser de woning had verlaten, wat de intrekking rechtvaardigde.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.