Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9308

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL25.40663
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8 EVRMArt. 3.6b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU en arrest K.A.

Eiser, een meerderjarige Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen, waarna ook het bezwaar werd verworpen. Eiser stelde dat hij emotioneel, medisch en financieel afhankelijk is van zijn moeder, die reeds in Nederland verblijft, en dat hij daarom aanspraak maakt op een afgeleid verblijfsrecht zoals bedoeld in het arrest K.A.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het arrest K.A. niet op eiser van toepassing is, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat hij en zijn moeder op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. De overgelegde bewijsstukken, waaronder bankafschriften, persoonlijke verklaringen en medische informatie, boden onvoldoende grond voor deze conclusie.

Verder stelde eiser dat hij had moeten worden gehoord, maar de rechtbank vond dat verweerder terecht van het horen heeft afgezien omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Ook werd geoordeeld dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro buiten de reikwijdte van het faciliterend visum valt en dat verweerder daartoe niet bevoegd is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Smeets op 31 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40663

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Laros).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor het verlenen van een faciliterend visum.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, eisers moeder [referente] (referente), eisers stiefvader [naam 1] , eisers halfbroers en -zussen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , M. el Bakali als tolk en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft via videoverbinding op de telefoon deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [1] en het arrest Chavez-Vilchez [2] . Eiser woonde voorheen in Marokko samen met zijn moeder, stiefvader en halfbroer en -zussen. Eisers stiefvader, halfbroer en -zussen hebben de Nederlandse nationaliteit. Sinds 2023 verblijven eisers stiefvader, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] in Nederland. Eisers moeder heeft een faciliterend visum gekregen en is op 2 juli 2024 samen met [naam 5] naar Nederland gekomen.
2.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat het arrest Chavez-Vilchez niet op eiser van toepassing is, nu hij meerderjarig is. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen hem en referente dat maakt dat referente op geen enkele manier van eiser gescheiden kan worden, zoals bedoeld in het arrest K.A. [3] . Daarnaast toetst verweerder niet aan artikel 8 van Pro het EVRM, omdat dit buiten de reikwijdte van het faciliterend visum valt. Bovendien is verweerder niet bevoegd om ambtshalve te toetsen aan artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit. Verweerder heeft eiser niet gehoord, omdat dit niet tot een ander oordeel zal leiden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder had eiser moeten horen omdat het moeilijk is om de invulling van het gezinsleven over te brengen op papier. Daarnaast is het faciliterend visum van belang omdat de fysieke aanwezigheid van eiser nodig is om een aanvraag op grond van artikel 20 van Pro het VWEU of artikel 8 van Pro het EVRM [4] te kunnen indienen. Verder is er wel sprake van een zodanige afhankelijkheid dat een afgeleid verblijfsrecht ontstaat. Eiser is emotioneel, medisch en financieel afhankelijk van referente. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verschillende stukken [5] overgelegd. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser sinds mei 2024 geen deel meer uitmaakt van het gezin. Ten slotte had verweerder moeten toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Arrest K.A. / Afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU
5. Uit het arrest K.A. volgt dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 van Pro het VWEU kan ontlenen, indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarig kind dat Unieburger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 van Pro het VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid dat burger van de Unie is. In het arrest is uitgelegd dat daarvoor vereist is dat een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen twee volwassen familieleden, dat de meerderjarige derdelander en de meerderjarige Unieburger op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden en dat een verblijfsweigering ertoe zal leiden dat de Unieburger verplicht is om het grondgebied van de Unie te verlaten. De beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een individuele beoordeling door verweerder van de aangevoerde feiten en omstandigheden. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
5.1
Eiser stelt dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. en heeft ter onderbouwing verschillende stukken overgelegd, waaronder bankafschriften van zijn ouders, een door zijn vader ondertekende vrijstelling van deelname aan sportlessen op school, persoonlijke verklaringen van zijn (stief)vader, moeder, halfbroer en -zussen en foto’s van het gezin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en referente op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser dit met de overgelegde stukken niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat uit de overgelegde geldtransacties van eisers stiefvader en referente niet blijkt dat eiser dusdanig afhankelijk is van hen voor zijn dagelijks functioneren en er ook op kunnen wijzen dat de financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. Daarnaast heeft eiser zijn stelling dat hij door artrose afhankelijk is van referente, niet met medische documenten onderbouwd. Anders dan gemachtigde van eiser tijdens de zitting heeft betoogd, vindt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit ook de emotionele afhankelijkheid voldoende heeft betrokken. Zo heeft verweerder betrokken dat eiser niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij afhankelijk is van de emotionele steun van referente en dat hij veel contact met haar heeft. Over de in beroep overgelegde verklaringen van eisers halfbroer en -zussen heeft verweerder zich tijdens de zitting op het standpunt mogen stellen dat hieruit niet volgt dat er een afhankelijkheid is tussen eiser en referente. En ook de verklaring van referente zelf heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven vinden om emotionele afhankelijkheid aan te nemen. Verweerder heeft tijdens de zitting nog toegelicht zich ervan bewust te zijn dat de situatie moeilijk is en druk legt op het gezin, maar dat dat niet wegneemt dat de hoge lat uit het arrest K.A. niet wordt gehaald. Ook de rechtbank neemt aan dat eiser en zijn familie het moeilijk hebben met de ontstane situatie. Eiser heeft verklaard dat hij graag bij zijn familie wil zijn en uit de schriftelijke verklaringen van de familie alsmede uit de brief die zijn halfzusje ter zitting aan de rechtbank heeft gegeven, wordt duidelijk dat eiser door het hele gezin erg gemist wordt. De rechtbank is het echter met verweerder eens dat dat niet genoeg voor de conclusie dat eiser en referente op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Eisers stelling dat het faciliterend visum van belang is omdat de fysieke aanwezigheid van eiser nodig is om een aanvraag op grond van artikel 20 van Pro het VWEU of artikel 8 van Pro het EVRM te kunnen indienen, doet niet af aan dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een faciliterend visum. Eiser heeft tijdens de zitting betoogd dat de lange duur van de procedure de bewijspositie van eiser benadeelt omdat zij daardoor al enige tijd van elkaar gescheiden leven. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder tijdens de zitting voldoende heeft toegelicht dat dit in het bestreden besluit niet als doorslaggevend is gezien.
Artikel 8 EVRM Pro
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank is het eens met verweerder dat een beoordeling van het recht op bescherming van het gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM buiten de reikwijdte van het faciliterend visum valt. Voor zover eiser verwijst naar de ambtshalve toetsing [6] , volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat verweerder hiertoe niet bevoegd is.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter [7] heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [8] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Van belang hierbij is dat de verklaringen van eisers gezinsleden pas in beroep zijn overgelegd. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen onvoldoende aanknopingspunten bevatten om de hoge lat uit het K.A. arrest te halen voor de afhankelijkheid tussen eiser en referente.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
3.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308.
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 5] , foto’s waarop eiser te zien zou zijn met het gezin, verklaring van de school waaruit volgt dat [naam 1] de school toestemming heeft verleend om eiser afwezig te laten zijn voor de gymlessen, reisverzekering, een vertaalde verklaring waaruit volgt waar eiser woont, en een ongehuwdverklaring van eiser.
6.Op grond van artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit.
7.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
8.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.