ECLI:NL:RBDHA:2026:9308
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU en arrest K.A.
Eiser, een meerderjarige Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen, waarna ook het bezwaar werd verworpen. Eiser stelde dat hij emotioneel, medisch en financieel afhankelijk is van zijn moeder, die reeds in Nederland verblijft, en dat hij daarom aanspraak maakt op een afgeleid verblijfsrecht zoals bedoeld in het arrest K.A.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het arrest K.A. niet op eiser van toepassing is, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat hij en zijn moeder op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. De overgelegde bewijsstukken, waaronder bankafschriften, persoonlijke verklaringen en medische informatie, boden onvoldoende grond voor deze conclusie.
Verder stelde eiser dat hij had moeten worden gehoord, maar de rechtbank vond dat verweerder terecht van het horen heeft afgezien omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Ook werd geoordeeld dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro buiten de reikwijdte van het faciliterend visum valt en dat verweerder daartoe niet bevoegd is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om griffierecht- en proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Smeets op 31 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.