Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL26.13430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming bij afwijzing asielaanvraag

Eiser heeft op 6 januari 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister op 4 maart 2026 is afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de zitting op 16 april 2026 was eiser en zijn gemachtigde afwezig zonder bericht, terwijl de gemachtigde van de minister wel aanwezig was.

De rechtbank kreeg van de minister bericht dat eiser op 29 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft. Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij hij contact blijft onderhouden of er andere concrete aanwijzingen zijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij geen contact onderhoudt en niet heeft laten blijken dat hij nog bescherming wenst. De stelling van de gemachtigde dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de verblijfplaats verandert hier niets aan. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13430

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag [1] van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 januari 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
4. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank namelijk op 31 maart 2026 laten weten dat eiser op 29 maart 2026 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.
5. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 8 april 2026 aangegeven dat hij op dit moment geen contact heeft met eiser en dat hem niet bekend is waar eiser verblijft. De gemachtigde vindt dat er onvoldoende aanleiding is om aan te nemen dat geen sprake meer is van procesbelang, omdat eiser nog maar een korte periode MOB gemeld staat en de minister geen onderzoek heeft verricht naar de mogelijke verblijfplaats van eiser.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens rechtspraak van de Afdeling [2] moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. [3]
7. Gelet op deze rechtspraak en de informatie van de gemachtigde van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. De stelling van de gemachtigde dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke verblijfplaats van eiser leidt niet tot een ander oordeel. Het ligt immers op de weg van eiser om, na de MOB-melding, kenbaar te maken dat hij nog prijs stelt op bescherming. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan en dat hij contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en