ECLI:NL:RBDHA:2026:9330

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11513800 \ RL EXPL 25-1734
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 EU-verordening 261/2004Art. 6:83 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers krijgen vergoeding voor vluchtvertraging door blikseminslag na inspectiefout

Op 11 augustus 2023 maakten de passagiers een vlucht met TUI die met meer dan vijf uur vertraging aankwam. De vertraging was het gevolg van een blikseminslag op het vliegtuig op 5 augustus 2023, waarbij schade pas bij een tweede inspectie op 9 augustus werd vastgesteld. TUI stelde dat de blikseminslag een buitengewone omstandigheid was en dat zij niet aansprakelijk was voor de vergoeding.

De passagiers vorderden een vergoeding van €400 per persoon plus buitengerechtelijke kosten, gebaseerd op EU-verordening 261/2004. TUI voerde verweer met onder meer niet-ontvankelijkheid en het ontbreken van een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter oordeelde dat de cessie van vorderingen van minderjarige kinderen aan beide ouders niet rechtsgeldig was, maar wel aan één ouder.

De rechtbank stelde vast dat het vliegtuig gepland stond voor de vlucht en dat de blikseminslag niet meer als buitengewone omstandigheid kon gelden voor de vlucht op 11 augustus, omdat TUI had kunnen anticiperen op de gevolgen. De vordering werd daarom grotendeels toegewezen, inclusief vergoeding van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. TUI werd veroordeeld tot betaling van €6.000 plus rente en proceskosten.

Uitkomst: TUI wordt veroordeeld tot betaling van €6.000 plus rente en kosten wegens vluchtvertraging zonder geldige buitengewone omstandigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummers: 11513800 \ RL EXPL 25-1734
Vonnis van 21 april 2026
in de zaken van

1.[passagier 1] ,

2. [passagier 2],
3. [passagier 3],
alle drie wonende te [woonplaats 1] ,
4. [passagier 4],
5. [passagier 5],
6. [passagier 6],
7. [passagier 7],
8. [passagier 8],
9. [passagier 9],
alle zes wonende te [woonplaats 2] ,
10. [passagier 10],
11. [passagier 11],
beiden wonende te [woonplaats 3] ,
12. [passagier 12],
13. [passagier 13],
14. [passagier 14],
alle drie wonende te [woonplaats 4] ,
15. [passagier 15],
wonende te [woonplaats 5] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: de Passagiers,
gemachtigde: A.E. Spaan,
tegen
TUI AIRLINES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 januari 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek met producties,
- de akte uitlaten zijdens de Passagiers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben op 11 augustus 2023 een vlucht gemaakt met TUI van [plaats 1] naar [plaats 2] met vlucht [vluchtnummer] . Deze vlucht maakt onderdeel uit van de rotatievlucht [plaats 2] – [plaats 3] – [plaats 1] – [plaats 2] en is in [plaats 2] met een vertraging van meer dan vijf uur gearriveerd.
2.2.
Het vliegtuig met registratienummer [registratienummer 1] is op 5 augustus 2023 getroffen door bliksem. TUI is na een dergelijke inslag verplicht het vliegtuig te controleren op schade. Het toestel is direct onderworpen aan een eerste inspectie (phase 1a en 1b inspectie), waarbij geen schade aan het toestel is geconstateerd.
2.3.
De noodzakelijke tweede inspectie (phase 2 inspectie) is uitgesteld tot de geplande onderhoudsbeurt op 9 augustus 2023. Tijdens die inspectie is gebleken dat de bliksem toch schade aan het toestel heeft veroorzaakt. Het toestel was vanwege de reparaties pas in de avond van 11 augustus 2023 weer beschikbaar.

3.Het geschil

3.1.
De Passagiers vorderen - samengevat – om uitvoerbaar bij voorraad TUI te veroordelen tot betaling van € 7.095,00 (€ 400,00 per passagier en € 695,00 ter zake buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.400,00 vanaf 11 augustus 2023 tot aan de dag van betaling en over € 695,00 vanaf datum ingebrekestelling tot aan de dag van betaling. Daarnaast vorderen zij betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
De Passagiers leggen aan de vordering ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna: de Verordening) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hen recht geven op een vergoeding van € 400,00 per persoon in verband met de vertraging van hun vlucht op 11 augustus 2023. Er is geen sprake van een buitengewone omstandigheid omdat het hier gaat om een technisch mankement na het uitvoeren van een geplande inspectie. Dat is inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij. Eisers sub 1 en 2 vorderen ook de vergoeding voor hun minderjarig kind. Zij hebben beiden die vordering aan zichzelf gecedeerd. Eiseres sub 13 vordert eveneens de vergoedingen voor haar twee minderjarige kinderen. Ook zij heeft die vorderingen aan zichzelf gecedeerd.
3.3.
TUI voert verweer. TUI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Passagiers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Passagiers in de kosten van deze procedure. Wat de gecedeerde vorderingen betreft stelt TUI dat onvoldoende is gebleken van enige akte van cessie. Bovendien kan een vordering niet aan meerdere personen worden overgedragen. Het verweer komt er verder kortgezegd op neer dat bij de uitvoering van de vlucht een vertraging is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Hierdoor is TUI niet gehouden de Passagiers een vergoeding voor de vertraging die de Passagiers hebben ondervonden te betalen.

4.De beoordeling

Vordering minderjarigen
4.1.
De kantonrechter volgt het verweer van TUI dat de akte van cessie van het minderjarige kind van eisers sub 1 en 2 aan henzelf niet rechtsgeldig is, omdat de gestelde vordering niet aan twee verschillende personen kan worden gecedeerd. Als wettelijke vertegenwoordigers hebben de ouders weliswaar de bevoegdheid om een vordering van hun minderjarig kind te cederen, maar dat kan slechts aan één andere juridische entiteit, natuurlijk persoon of rechtspersoon. Dezelfde vordering kan niet door beide ouders afzonderlijk aan zichzelf worden gecedeerd en dat is hier wel gebeurd. Dit betekent dat de vordering die gegrond is op de vertraging die de minderjarige heeft ondervonden zal worden afgewezen.
4.2.
Anders dan TUI heeft aangevoerd acht de kantonrechter de in productie 1 bij dagvaarding overgelegde akte van cessie van eiseres sub 13 voldoende duidelijk. Daarin staat onder II. dat zij als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen de vorderingen van haar twee minderjarige kinderen op de luchtvaartmaatschappij overdraagt aan zichzelf. Daarnaast blijkt uit de overgelegde reisbescheiden dat de passagiers een boeking hadden voor de vlucht [vluchtnummer] van 11 augustus 2023 van [plaats 1] naar [plaats 2] . Hoewel productie 1 niet goed geordend is, zitten wel alle bescheiden daarbij.
Buitengewone omstandigheid?
4.3.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
4.4.
TUI heeft als verweer aangevoerd dat het vliegtuig met registratie [registratienummer 1] , waarmee zij op 11 augustus 2023 de vlucht [vluchtnummer] van [plaats 1] naar [plaats 2] had willen uitvoeren, op 5 augustus 2023 tijdens een rotatievlucht van [plaats 2] naar Las Palmas is getroffen door bliksem. Na blikseminslag moet een inspectie uitgevoerd worden om vast te stellen of het vliegtuig nog luchtwaardig is. Bij de eerste inspectie is volgens het rapport geen schade geconstateerd “
phase 1A insp. Nil findings. Performed Phase 1B insp. All satis”. Een tweede inspectie moet volgens toepasselijke regelgeving binnen 15 vluchten of 50 vlieguren plaatsvinden. Omdat het vliegtuig gepland stond om op 9 augustus 2023 in onderhoud te gaan, heeft TUI besloten de tweede inspectie tijdens dat onderhoud uit te voeren. Tijdens het onderhoud is geconstateerd dat de bliksem toch schade had veroorzaakt. Vanwege de noodzakelijke reparaties was het vliegtuig pas in de avond van 11 augustus 2023 weer beschikbaar. TUI heeft daarom een ander vliegtuig uit haar vloot, met registratie [registratienummer 2] vrijgemaakt. Dat vliegtuig was niet eerder beschikbaar dan om 16:23 uur op 11 augustus 2023. Daardoor zijn de passagiers met meer van vijf uur vertraging vanuit [plaats 1] in [plaats 2] aangekomen. De blikseminslag beschouwt TUI als een buitengewone omstandigheid.
4.5.
De passagiers hebben erop gewezen dat TUI niet heeft aangetoond dat het vliegtuig met registratie [registratienummer 1] ingeroosterd stond voor de rotatievlucht [plaats 2] – [plaats 3] – [plaats 1] – [plaats 2] voor 11 augustus 2023. Daarnaast betwisten zij het causale verband tussen de blikseminslag op 5 augustus 2023 en de vertraging van hun vlucht zes dagen later. Bovendien valt de vlucht op 11 augustus 2023 niet meer te beschouwen als een rotatievlucht van 5 augustus 2023, waarvan de buitengewone omstandigheid doorwerkt naar een opvolgende vlucht.
4.6.
Anders dan de Passagiers hebben gesteld acht de kantonrechter voldoende aangetoond dat het vliegtuig met registratie [registratienummer 1] gepland stond voor de rotatievlucht [vluchtnummer] op 11 augustus 2023. Uit de screenprint kan worden opgemaakt dat op 8 augustus 2023 [registratienummer 1] stond gepland voor vlucht [vluchtnummer] . Het overzicht waarnaar de Passagiers verwijzen maakt dat niet anders, omdat dat overzicht is gebaseerd op het uitlezen van transponders van de vliegtuigen die daadwerkelijk zijn gebruikt. Daaruit kan dan ook geen voorafgaande planning worden vastgesteld, hooguit welk vliegtuig uiteindelijk is ingezet.
4.7.
Vervolgens komt het aan op de beantwoording van de vraag of de blikseminslag op 5 augustus 2023 nog als een buitengewone omstandigheid is te beschouwen voor de vlucht die TUI met het getroffen vliegtuig gepland had uit te voeren op 11 augustus 2023. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat het causaal verband ontbreek. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.8.
Niet in geschil is dat blikseminslag als een buitengewone omstandigheid kan worden gekwalificeerd, omdat het een gebeurtenis is die niet rechtstreeks is terug te voeren op een omstandigheid die inherent is aan de uitoefening van het luchtvaartbedrijf. In deze procedure staat echter het volgende eraan in de weg dat de blikseminslag, die zich voordeed op 5 augustus 2023, nog als een buitengewone omstandigheid voor de onderhavige vlucht op 11 augustus 2023 is aan te merken.
4.9.
De beslissing van het Europese Hof van Justitie in het TAP-arrest kan en mag niet zover worden opgerekt dat een buitengewone omstandigheid op 5 augustus 2023 nog doorwerkt op een vlucht op 11 augustus 2023. Het uitgangspunt van de Verordening beoogt de consumentpassagier bescherming te geven tegen langdurige vertragingen. Dat brengt met zich dat, voor zover een luchtvaartmaatschappij zich al kan beroepen op een buitengewone omstandigheid die doorwerkt naar een opvolgende vlucht met het betreffende vliegtuig, van causaal verband geen sprake meer kan zijn, indien de luchtvaartmaatschappij redelijkerwijs geacht moet worden op de gevolgen van de buitengewone omstandigheid te hebben kunnen inspelen. Dat is hoe dan ook het geval wanneer tussen het tijdstip van de buitengewone omstandigheid en de vlucht in kwestie een of meerdere operationele beslissingen van de luchtvaartmaatschappij liggen, zoals bijvoorbeeld het besluit om met de tweede inspectie als gevolg van blikseminslag te wachten tot gepland onderhoud. Daarnaast had TUI bij de tweede inspectie op 9 augustus 2023, toen de schade aan het vliegtuig werd ontdekt, al rekening kunnen en moeten houden dat het vliegtuig mogelijk niet tijdig gereed zou zijn voor de vlucht in kwestie. Zij had op dat moment haar planning voor de inzet van haar vliegtuigen kunnen aanpassen in plaats van te wachten tot de dag van de vlucht in kwestie.
4.10.
Het voorgaande leidt daarom tot de conclusie dat TUI voor de onderhavige vlucht geen beroep op een buitengewone omstandigheid toekomt. De vraag of zij voldoende maatregelen heeft getroffen om de vertraging te beperken kan daarom buiten beschouwing blijven. De vordering van de Passagiers zal daarom, met uitzondering van de vordering van het minderjarige kind van eisers sub 1 en 2, worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.11.
De Passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. TUI betwist dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Er is per passagier slechts een automatisch gegenereerde brief verzonden en een enkele gestandaardiseerde herhaling.
4.12.
Vastgesteld kan worden dat de vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke
incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De Passagiers hebben voldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Zij hebben ook daadwerkelijk inhoudelijk verweer gevoerd tegen de eerste afwijzing van de vordering en nader overleg gevoerd om tot een schikking te komen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) zal daarom worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.13.
Anders dan TUI heeft aangevoerd, is de vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade gelet op artikel 6:83 sub b Burgerlijk Pro Wetboek (BW) terstond opeisbaar en treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in op het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. De gevorderde wettelijke rente is dan ook toewijsbaar vanaf de afgesproken datum waarop de vlucht niet correct is uitgevoerd, te weten 11 augustus 2023.
Proceskosten
4.14.
TUI is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Passagiers worden begroot op:
- griffiegeld € 257,00
- dagvaarding € 144,47
- salaris gemachtigde € 720,00 (2 punt × € 360,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.265,47.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt TUI tot betaling aan de Passagiers van het totaalbedrag van € 6.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt TUI tot betaling aan de Passagiers van de buitengerechtelijke kosten van
€ 695,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt TUI in de proceskosten aan de zijde van de Passagiers, begroot op een bedrag van € 1.265,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.