ECLI:NL:RBDHA:2026:9342

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11731707 \ RL EXPL 25-10368
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 EU-verordening 261/2004Art. 6:83 sub b BWArt. 6:74 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering passagiers tegen TUI wegens vertraagde vlucht en vergoeding

De passagiers hebben een vlucht geboekt van een buitenlandse plaats naar Amsterdam-Schiphol die met bijna 18 uur vertraging werd uitgevoerd door TUI Airlines Nederland. Zij vorderen een vergoeding van €7.935 plus rente en kosten op grond van EU-verordening 261/2004.

TUI betwist de rechtsgeldigheid van cessies van vorderingen aan Stichting Achmea Rechtsbijstand en voert aan dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, waaronder beslissingen van de Europese luchtverkeersleiding en een storing in het bagagesysteem. De rechtbank oordeelt dat de cessies niet rechtsgeldig zijn omdat identiteit en ondertekening niet controleerbaar zijn en dat vorderingen van minderjarige kinderen niet aan meerdere personen tegelijk kunnen worden gecedeerd.

De rechtbank erkent dat de passagiers meer dan drie uur vertraging hadden, maar TUI heeft onvoldoende aangetoond dat de bemanning buiten de toegestane uren raakte, waardoor niet alle vertraging kan worden toegerekend aan buitengewone omstandigheden. De vergoeding wordt daarom deels toegewezen tot een bedrag van €4.800. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €735 toegewezen en wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht. TUI wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.364,97.

Uitkomst: TUI wordt veroordeeld tot betaling van €5.535 plus rente en proceskosten, met afwijzing van overige vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer: 11731707 \ RL EXPL 25-10368
Vonnis van 21 april 2026
in de zaak van

1.STICHTING ACHMEA RECHTSBIJSTAND,

gevestigd te Apeldoorn,

2. [passagier 1] ,

3. [passagier 2] ,

4. [passagier 3] ,

alle drie wonende te [woonplaats 1] ,

5. [passagier 4] ,

6. [passagier 5] ,

7. [passagier 6] ,

8. [passagier 7] ,

alle vier wonende te [woonplaats 2] ,

9. [passagier 8] ,

10. [passagier 9] ,

11. [passagier 10] ,
alle drie wonende te [woonplaats 3] ,
gemachtigde: [naam 1] (ProBe-ASP B.V.),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de passagiers,
tegen
TUI AIRLINES NEDERLAND B.V. (TUI),
gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vlucht geboekt om op 5 mei 2023 vervoerd te worden van [plaats] ( [land] ) naar Amsterdam-Schiphol met vlucht [vluchtnummer 1] . Deze vlucht maakt onderdeel uit van de rotatievlucht Amsterdam – [plaats] – Amsterdam met vluchtnummers [vluchtnummer 2] / [vluchtnummer 1] .
2.2.
Vlucht [vluchtnummer 1] is door TUI met een vertraging van 17 uur en 56 minuten uitgevoerd.
2.3.
In een diverse aktes van cessie staan de namen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] vermeld en dat zij hun vorderingen op TUI inzake de vertraagde vlucht [vluchtnummer 1] overdragen aan de Stichting Achmea Rechtsbijstand (SAR).
2.4.
Eisers sub 2 en 3 hebben ieder afzonderlijk als gezamenlijk wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kind een ‘volmacht-akte van cessie’ getekend waarin zij in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger de vordering van hun minderjarige kind op TUI aan zichzelf overdragen.
2.5.
Eisers sub 5 en 6 hebben ieder afzonderlijk als gezamenlijk wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kind een ‘volmacht-akte van cessie’ getekend waarin zij in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger de vordering van hun minderjarige kind op TUI aan zichzelf overdragen.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen - samengevat - veroordeling van TUI tot betaling van € 7.935,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De passagiers leggen aan hun vordering ten grondslag dat Europese regelgeving en jurisprudentie, meer in het bijzonder de EU-verordening 261/2004 (hierna; de Verordening) en de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, hen recht geven op een vergoeding van € 400,- per persoon in verband met de opgelopen vertraging van de vlucht van [plaats] naar Amsterdam. TUI heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van buitengewone omstandigheden. Het uit de wettelijke uren raken van de bemanning behoort tot de normale bedrijfsvoering van een luchtvaarmaatschappij en is bovendien niet aangetoond. Omdat betaling uitbleef hebben de passagiers kosten moeten maken die worden begroot op € 270,-. Daarnaast is TUI de wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
TUI voert verweer. TUI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de passagiers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de passagiers in de kosten van deze procedure. Kort gezegd stelt TUI dat de gestelde cessies van de vorderingen van de passagiers aan SAR niet rechtsgeldig zijn, omdat er geen kopieën van identiteitsbewijzen zijn overgelegd zodat de personen gecontroleerd kunnen worden. Wat betreft de aktes van cessie van de minderjarige kinderen voert TUI aan dat de vordering niet aan meerdere personen kan worden overgedragen. Daarnaast stelt TUI dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden en dat ondanks het treffen van redelijke maatregelen de vertraging niet voorkomen had kunnen worden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen rechtsgeldige cessies
4.1.
TUI heeft als verweer aangevoerd dat de akten van cessie van de passagiers aan SAR niet rechtsgeldig zijn, omdat de identiteit en de ondertekening niet te controleren is. De passagiers hebben daarop bij repliek niet meer gereageerd. Dat betekent dat gelet op de betwisting onvoldoende is gebleken dat de personen die genoemd zijn in de akten van cessie hun vordering hebben overgedragen aan Achmea. De vordering van Achmea zal daarom worden afgewezen.
4.2.
Verder volgt de kantonrechter het verweer van TUI dat de akten van cessie van het minderjarige kind van eisers sub 2 en 3 respectievelijk het minderjarige kind van eisers sub 5 en 6 aan henzelf niet rechtsgeldig zijn, omdat de gestelde vordering niet aan twee verschillende personen (tegelijkertijd) kan worden gecedeerd. Bij repliek hebben de passagiers hierop niet meer gereageerd. Als wettelijke vertegenwoordigers hebben de ouders weliswaar de bevoegdheid om een vordering van hun minderjarig kind te cederen, maar dat kan slechts aan één andere juridische entiteit, natuurlijk persoon of rechtspersoon. Dezelfde vordering kan niet door beide ouders afzonderlijk aan zichzelf worden gecedeerd en dat is hier wel gebeurd. Dit betekent dat de vorderingen die gegrond zijn op de vertraging die de minderjarigen hebben ondervonden zullen worden afgewezen.
Buitengewone omstandigheden
4.3.
De Verordening en de daarop gebaseerde jurisprudentie beoogt de passagier als consument van door een luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten bescherming te bieden tegen annulering van vluchten en de met annulering gelijkgestelde vertragingen, die een bepaalde tijdsduur overschrijden. Deze bescherming vertaalt zich in bepaalde gefixeerde schadevergoedingen en andere verplichtingen, zoals verzorging en, indien aan de orde, overnachtingen. Als uitgangspunt is de luchtvaartmaatschappij gehouden een bepaalde aan de vluchtafstand gerelateerde vergoeding aan de passagier te betalen in geval van een annulering van een vlucht of een vertraging van meer dan drie uur. Deze verplichting lijdt uitzondering, indien de luchtvaartmaatschappij zich met succes op een bijzondere omstandigheid kan beroepen, die als oorzaak voor de vertraging heeft te gelden.
4.4.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Dit betekent dat TUI de passagiers in beginsel moet compenseren. Dit is anders als TUI kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden zoals zij heeft gesteld.
4.5.
De eerste buitengewone omstandigheid zou zijn gelegen in diverse beslissingen van de Europese luchtverkeersleiding Eurocontrol. Anders dan de passagiers hebben gesteld acht de kantonrechter de screenshots van Slot Allocation Message (SAM) zoals die zijn overgelegd voldoende onderbouwing van het verweer dat vanwege drukte en de slechte weersomstandigheden op de route er meerdere beslissingen vanuit de luchtverkeersleiding zijn gekomen die de vertraging mede hebben veroorzaakt. Ook de tweede buitengewone omstandigheid, de storing in het bagagesysteem, is voldoende onderbouwd met het sms-bericht van Custom Support van Schiphol. De passagiers hebben niet bestreden dat deze omstandigheden, als ze zijn aangetoond, als buitengewoon kunnen worden aangemerkt. Het afhandelingsverbod in verband met onweer is nog niet voldoende onderbouwd, maar daarvan heeft TUI bewijs aangeboden. Bewijslevering zal evenwel niet plaatsvinden omdat de kantonrechter die omstandigheid niet langer relevant acht. Feit is dat het bagagesysteem een storing had en voldoende is gebleken dat het vliegtuig niet eerder geladen was dan 15:55 UTC. Of dit nu kwam door het afhandelingsverbod of omdat de bagageafdeling de achterstand niet snel genoeg heeft ingelopen na de storing, kan in het midden blijven omdat dit sowieso een externe omstandigheid is waarop TUI geen invloed heeft.
4.6.
De passagiers hebben bij repliek uitdrukkelijk gesteld dat volgens hen niet is aangetoond dat de bemanning buiten de uren zou raken als de vlucht toch op 5 mei 2023 was uitgevoerd. Daarmee betwisten zij het uit de uren lopen van de bemanning, omdat de vertraging bij aankomst op [plaats] Airport slechts twee uur en 44 minuten was. TUI heeft hierop bij dupliek niet gereageerd. Zij heeft niet, zoals verzocht door de passagiers, een nadere onderbouwing gegeven zoals werkschema’s en of de rusttijden van de betreffende bemanning, waaruit een en ander zou kunnen blijken. Dit had wel op de weg van TUI gelegen, omdat zij zich hiermee immers beroept op de uit de buitengewone omstandigheid voortvloeiende complicatie waardoor de vlucht ruim 17 uur vertraging heeft opgelopen. De kantonrechter concludeert hieruit dat niet is aangetoond dat de bemanning verplicht de rusttijd in acht heeft moeten nemen en TUI daarmee onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van buitengewone omstandigheden die maakte dat de vlucht pas de volgende dag uitgevoerd kon worden. Dit heeft tot gevolg dat TUI de gevorderde vergoeding verschuldigd is, behoudens die hiervoor al zijn afgewezen. Totaal zal worden toegewezen een bedrag van € 4.800,00.
Buitengerechtelijke kosten
4.7.
De passagiers hebben een bedrag van € 735,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. TUI betwist dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Er is per passagier slechts een automatisch gegenereerde brief verzonden en een enkele gestandaardiseerde herhaling.
4.8.
Vastgesteld kan worden dat de vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk.
De wettelijke rente
4.9.
Anders dan TUI heeft aangevoerd, is de vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade gelet op artikel 6:83 sub b Burgerlijk Pro Wetboek (BW) terstond opeisbaar en treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in op het moment waarop de schade geacht wordt te zijn geleden. Anders dan TUI heeft betoogd volgt niet uit het wettelijk systeem dat haar eerst een termijn tot nakoming gegeven moet worden. De verwijzing naar artikel 6:74 lid 2 BW Pro kan haar niet baten omdat daarin nu juist wordt verwezen naar onder meer artikel 6:83 sub b BW Pro dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt. De gevorderde wettelijke rente is dan ook toewijsbaar vanaf de afgesproken datum waarop de vlucht niet is uitgevoerd, te weten 5 mei 2023.
4.10.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal TUI worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de passagiers. Deze worden als volgt vastgesteld:
- griffierecht
543,00
- dagvaardingskosten
144,47
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.364,97

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt TUI tot betaling aan de passagiers van het totaalbedrag van € 5.535,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.800,00 vanaf woensdag 5 mei 2023 en over € 735,00 vanaf 1 mei 2025, beiden tot aan de dag van algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt TUI in de proceskosten van € 1.364,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TUI niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.