ECLI:NL:RBDHA:2026:937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
23/7189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:12 WaboArt. 4 BorArt. 4:17 AwbArt. 6:20 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens onvoldoende motivering tijdelijke bedrijfswoning

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een bedrijfswoning op een perceel met een kleinschalige schapenhouderij. Eiseres, wonende naast het perceel, betwist het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard dat de vergunning verleende, omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht een omgevingsvergunning verleende op grond van artikel 2:12 van Pro de Wabo, waarmee tijdelijk van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. De vraag of het agrarisch bedrijf duurzaam volwaardig zal worden, is daarbij niet doorslaggevend. Wel stelt de rechtbank vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de tijdelijke bedrijfswoning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, met name omdat het besluit niet ingaat op de bezwaren van eiseres over aantasting van het landschap en haar woon- en leefomgeving.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college inmiddels een besluit heeft genomen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb en draagt het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. de Buck-Hartman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard

(gemachtigde: A. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. R. Sahin).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een bedrijfswoning op een perceel aan de [adres] . Eiseres woont naast dit perceel en is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 22 juni 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een bedrijfswoning op de locatie [adres] .
2.1.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Omdat een besluit op bezwaar uitbleef, heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 27 februari 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar te nemen.
2.2.
Op 26 oktober 2023 heeft eiseres andermaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 november 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft nadere gronden ingediend tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen
3. Omdat het college met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist, heeft eiseres geen procesbelang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren.
3.1.
Eiseres heeft de rechtbank ter zitting verzocht om de verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit vast te stellen. De rechtbank stelt echter vast dat uit de eerdere uitspraak van de deze rechtbank van 27 februari 2023 blijkt dat het college op 20 januari 2023 al een besluit heeft genomen waarmee is vastgesteld dat de maximale dwangsom op grond van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van € 1.442,- is verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van eiseres. Dat betekent dat het verzoek van eiseres moet worden afgewezen.
Het beroep tegen het bestreden besluit
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiseres heeft hiertegen beroepsgronden aangevoerd. Die zal de rechtbank hierna bespreken.
Overgangsrecht Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Achtergrond van het bestreden besluit
6. Vergunninghouder heeft op het perceel een kleinschalige schapenhouderij. Hij wenst deze schapenhouderij uit te breiden naar een duurzaam volwaardig agrarisch bedrijf. Met het oog hierop heeft vergunninghouder woonunits op zijn perceel laten plaatsen waar hij en zijn gezin kunnen verblijven in de periode waarin de schapenhouderij verder wordt uitgebouwd.
6.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Het perceel van vergunninghouder heeft, voor zover hier van belang, de bestemming “Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden”.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat artikel 3.4.1 van de planregels in dit geval geen mogelijkheid biedt om de tijdelijke bedrijfswoning te vergunnen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een duurzaam volwaardig agrarisch bedrijf op het perceel.
6.3.
Het college heeft de door vergunninghouder gevraagde afwijking van het bestemmingsplan aanvaardbaar geacht en heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens het college staan de Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2021 (de beleidsregels) niet aan vergunningverlening in de weg. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het realistisch is om aan te nemen dat de schapenhouderij van vergunninghouder de komende jaren zal uitgroeien tot een duurzaam volwaardig agrarisch bedrijf. Ook de persoonlijke omstandigheden van vergunninghouder – die de zorg heeft over een zoon met een beperking – heeft het college laten meewegen in zijn besluit. In een voorschrift bij de omgevingsvergunning is vastgelegd dat de afwijking van het bestemmingsplan maximaal vijf jaar na het in werking treden van de vergunning ongedaan moet worden gemaakt.
Goede ruimtelijke onderbouwing
7. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat het bedrijf van vergunninghouder binnen vijf jaar kan doorgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf. In dat kader heeft eiseres onder andere gewezen op de stikstofproblematiek die volgens haar aan de verdere groei van de schapenhouderij in de weg staat.
7.1.
Dit betoog – wat hier verder ook van zij – kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank overweegt dat de volwaardigheid van het agrarische bedrijf op het perceel uitsluitend van belang is bij de vraag of binnenplans – met toepassing van artikel 3.4.1. – van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In dit geval heeft het college echter geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II bij het Bor. Op grond van die bepalingen kan een omgevingsvergunning worden verleend om tijdelijk van het bestemmingsplan af te wijken. Die vergunning kan worden verleend als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Of de schapenhouderij van vergunninghouder in de komende jaren de beoogde ontwikkeling tot duurzaam volwaardig agrarisch bedrijf zal doormaken, is hierbij niet doorslaggevend.
8. Eiseres betoogt verder dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de tijdelijke bedrijfswoning voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Zij stelt dat de tijdelijke bedrijfswoning wordt gerealiseerd op korte afstand van haar perceel, op een plek waar voorheen geen bebouwing stond. Volgens eiseres leidt dit – in strijd met de Provinciale Verordening Ruimte 2014 en het gebiedsprofiel Krimpenerwaard – tot een verdere verstening van het buitengebied en een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en openheid van het landschap. De tijdelijke bedrijfswoning wordt volgens eiseres niet landschappelijk ingepast en maakt inbreuk op de landschappelijke en natuurlijke waarden van het perceel die het bestemmingsplan beoogt te beschermen. Bovendien vreest eiseres dat de tijdelijke bedrijfswoning haar woon- en leefomgeving negatief zal beïnvloeden, omdat haar uitzicht en woongenot hierdoor worden aangetast.
8.1.
De rechtbank overweegt dat het college in het bestreden besluit met name is ingegaan op de verwachte doorgroei van de schapenhouderij naar een duurzaam volwaardig agrarisch bedrijf. Ook heeft het college gewicht toegekend aan de persoonlijke situatie van vergunninghouder en het belang dat hij en zijn gezin hebben bij de tijdelijke bedrijfswoning. Eiseres heeft echter terecht aangevoerd dat het bestreden besluit een deugdelijke ruimtelijke afweging ontbeert. Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, slechts verleend kan worden als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het bestreden besluit wordt in dit verband slechts opgemerkt dat de beleidsregels niet aan vergunningverlening in de weg staan en dat niet verwacht wordt dat de bedrijfswoning zal leiden tot een toename van verkeer. Op de door eiseres aangedragen bezwaren met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de bedrijfswoning voor de omgeving en de gestelde effecten op haar woon- en leefklimaat, wordt in het bestreden besluit echter niet ingegaan. Dat betekent dat het college in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de tijdelijke bedrijfswoning in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is geacht. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een draagkrachtige motivering. Het betoog slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Het beroep is gegrond voor zover het ziet op het bestreden besluit, omdat dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of een bestuurlijke lus toe te passen. Het college moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar nemen.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college de kosten vergoeden die zijn gemaakt voor het beroep. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en eiseres ter zitting heeft bijgestaan (2 punten met een waarde per punt van 934,- en een wegingsfactor 1).
Het college moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.