Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9371

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/734
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening scootmobiel op grond van de Wmo 2015 wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, na een rugoperatie in augustus 2025. Verweerder heeft deze aanvraag op 23 december 2025 afgewezen, waarna verzoekster bezwaar maakte en vervolgens een voorlopige voorziening verzocht bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster niet in een acute medische nood verkeert. Uit het onderzoek van verweerder blijkt dat verzoekster na haar operatie revalidatie heeft gehad en inmiddels fysiotherapie volgt, waarbij zij korte afstanden met een rollator kan afleggen. Alternatieve vervoersmogelijkheden zijn haar ook aangeboden.

Omdat er geen spoedeisend belang is en het besluit niet evident onrechtmatig is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/734

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J. de Zwart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Van een spoedeisend belang is onder meer sprake wanneer een betrokkene in acute medische nood verkeert.
3. Verzoekster heeft zich op 16 oktober 2025 gemeld bij verweerder voor een Wmo-voorziening. Zij heeft verzocht om een scootmobiel vanwege een rugoperatie in augustus 2025. Uit het naar aanleiding van de aanvraag verrichte onderzoek van verweerder is gebleken dat verzoekster na de rugoperatie een aantal dagen in een revalidatiecentrum heeft gezeten. Op eigen initiatief is verzoekster naar huis gegaan omdat zij wegens ruimtegebrek op een afdeling was geplaatst voor mensen met een cognitieve beperking. De fysiotherapeut kwam vervolgens bij verzoekster thuis en inmiddels gaat verzoekster naar de fysiotherapeut toe. De behandelingen zijn gericht op het versterken van het linkerbeen van verzoekster. De loopafstand van het huis van verzoekster naar de fysiotherapeut is minder dan 300 meter. Uit het onderzoek van verweerder blijkt verder dat verzoekster met een rollator naar het winkelcentrum loopt. Dat winkelcentrum ligt op een afstand van 400 meter van haar huis. Verzoekster loopt met een rollator vanwege haar valangst. Volgens verzoekster gaat lopen met een rollator niet goed, omdat zij haar evenwicht verliest. Zij is een keer uit de bus gevallen, waardoor zij niet meer met de bus durft te reizen. Verweerder heeft verzoekster in het Wmo-advies van 1 december 2025 gewezen op de mogelijkheid van de Wijkbus
Zuid-West, als oplossing naast Collectief aanvullend vervoer, de boodschappen begeleidingsdienst, boodschappenhulp, het doen van online boodschappen en de Regio Taxi.
4. Ondanks dat de voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor verzoekster onprettig is, kan deze niet aangemerkt worden als een acute (medische) noodsituatie. Verzoekster heeft haar standpunten niet nader onderbouwd met (bijvoorbeeld medische) stukken. Evenmin is gebleken dat de bezwaarfase niet kan worden afgewacht. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
5. Bij het ontbreken van spoedeisend belang als hiervoor bedoeld, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.
5.1.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat van een evident onrechtmatig besluit sprake is. Uit de overlegde stukken en het bestreden besluit blijkt dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de situatie en behoeften van verzoekster en haar heeft gewezen op alternatieve mogelijkheden voor vervoer en het doen van boodschappen.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
25 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.