Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9374

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/1465
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing Bbz-uitkering wegens ontbreken financiële noodsituatie

Verzoeker heeft op 6 januari 2026 een uitkering en bedrijfskapitaal aangevraagd op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft dit verzoek op 2 februari 2026 afgewezen en het eerder toegekende voorschot van € 200,- teruggevorderd. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2026. Verzoeker stelde dat hij betalingsonmacht had voor het griffierecht, wat werd erkend. De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend bij een spoedeisend belang. Verzoeker had op 11 februari 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd waarop het college op 5 maart 2026 een voorschot van € 989,06 had toegekend. Dit voorschot wordt ambtshalve om de vier weken verstrekt zolang er geen definitief besluit is.

Gezien dit voorschot oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen financiële noodsituatie was en dus geen spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor het bestreden besluit blijft gelden tot het bezwaar is beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de Bbz-aanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: J.A. Boogaards).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering en bedrijfskapitaal op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz). Verzoeker is het daarmee niet eens. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 6 januari 2026 een Bbz-uitkering en bedrijfskapitaal aangevraagd. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen en het op 12 januari 2026 verleende voorschot ter hoogte van € 200,- teruggevorderd.
2.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen. Daarom is terecht afgezien van het heffen van griffierecht.
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
3.2.
Verzoeker heeft op 11 februari 2026 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd. Het college heeft op 5 maart 2026 een voorschot toegekend ter hoogte van € 989,06. De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat het college ambtshalve om de vier weken een voorschot verstrekt zolang er nog geen besluit is genomen op eisers aanvraag om een bijstandsuitkering. Ook heeft de gemachtigde van het college toegezegd dat het voorschot van € 200,- niet zal worden ingevorderd zolang er nog geen beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit is genomen.
3.3.
Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

4. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.