Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9375

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/84
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit zorgverzekering

Verzoekster heeft een boete van €528 opgelegd gekregen omdat zij geen Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten. Tegen dit boetebesluit heeft zij bezwaar gemaakt, dat door verweerder is afgewezen. Verzoekster stelde vervolgens beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb en besloot zonder zitting omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. Verweerder had de inning van de boete opgeschort door een verzoek bij het CJIB in te dienen, dat de inning aanhield pending het onderzoek naar ontheffing van de verzekeringsplicht.

Omdat de inning van de boete was aangehouden, was er geen spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 30 januari 2026 door de voorzieningenrechter T.A. Oudenaarden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de inning van de boete wegens het niet afsluiten van een Nederlandse zorgverzekering is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/84

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

en

het CAK, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het boetebesluit van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 8 september 2025 aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 528,- omdat zij geen Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verweerder heeft op 15 januari 2026 bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) verzocht om (voorlopige) aanhouding van de inning van de boete(s) hangende het onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van het verzoek van verzoekster om ontheffing van de verzekeringsplicht. Dit betekent dat verweerder de uitvoering van het besluit heeft opgeschort. Het CJIB heeft bevestigd dat de inning van de boetes wordt aangehouden. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.