ECLI:NL:RBDHA:2026:9375
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit zorgverzekering
Verzoekster heeft een boete van €528 opgelegd gekregen omdat zij geen Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten. Tegen dit boetebesluit heeft zij bezwaar gemaakt, dat door verweerder is afgewezen. Verzoekster stelde vervolgens beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb en besloot zonder zitting omdat het verzoek kennelijk ongegrond was. Verweerder had de inning van de boete opgeschort door een verzoek bij het CJIB in te dienen, dat de inning aanhield pending het onderzoek naar ontheffing van de verzekeringsplicht.
Omdat de inning van de boete was aangehouden, was er geen spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 30 januari 2026 door de voorzieningenrechter T.A. Oudenaarden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de inning van de boete wegens het niet afsluiten van een Nederlandse zorgverzekering is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.