Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag ingewilligd door ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren toe te kennen met intensiteit plus voor de periode van 1 oktober 2025 tot en met 30 september 2027. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker had verzocht om schorsing van een telefonische hoorzitting en een fysieke hoorzitting nadat een schriftelijk besluit zou zijn genomen en juridische ondersteuning geregeld. De hoorzitting was uitgesteld en verzoeker had vier weken gekregen om ondersteuning te regelen, waardoor het spoedeisend belang was komen te vervallen.
De voorzieningenrechter overwoog dat de toegekende maatwerkvoorziening voorlopig niet ontoereikend leek en dat er geen aanwijzingen waren voor een onomkeerbare situatie. Zelfs indien verzoeker meer uren ondersteuning nodig zou hebben, was dat onvoldoende om de beslissing in de bezwaarprocedure niet af te wachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.