Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/1614
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatwerkvoorziening Wmo 2015 wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag ingewilligd door ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren toe te kennen met intensiteit plus voor de periode van 1 oktober 2025 tot en met 30 september 2027. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker had verzocht om schorsing van een telefonische hoorzitting en een fysieke hoorzitting nadat een schriftelijk besluit zou zijn genomen en juridische ondersteuning geregeld. De hoorzitting was uitgesteld en verzoeker had vier weken gekregen om ondersteuning te regelen, waardoor het spoedeisend belang was komen te vervallen.

De voorzieningenrechter overwoog dat de toegekende maatwerkvoorziening voorlopig niet ontoereikend leek en dat er geen aanwijzingen waren voor een onomkeerbare situatie. Zelfs indien verzoeker meer uren ondersteuning nodig zou hebben, was dat onvoldoende om de beslissing in de bezwaarprocedure niet af te wachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1614

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: J. Ameziane).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker naar aanleiding van de beslissing op de aanvraag van verzoeker om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Voor zover een inhoudelijk oordeel wordt gegeven over de zaak heeft dat oordeel een voorlopig karakter en bindt het de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van
11 september 2025 ingewilligd, en een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van ondersteuning bij sociaal en persoonlijk functioneren met de intensiteit plus, verzorgd door [bedrijfsnaam] BV voor de periode 1 oktober 2025 tot en met 30 september 2027. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
2.1.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de geplande telefonische hoorzitting met verweerder van 26 februari 2026 te schorsen en te bepalen dat er een fysieke hoorzitting dient plaats te vinden, nadat verweerder een schriftelijk besluit heeft genomen naar aanleiding van zijn verzoek van 14 januari 2026, inzake zijn maatwerk-ondersteuningsplan, en nadat hij juridische ondersteuning of een vertrouwenspersoon heeft kunnen regelen. Met zijn email van 25 februari 2026 heeft verzoeker aangegeven dat de hoorzitting van 26 februari 2026 is uitgesteld, dat er op zijn verzoek een fysieke hoorzitting zal plaatsvinden en dat hij vier weken de tijd heeft gekregen om ondersteuning te regelen. Verzoeker heeft voorts aangegeven dat de directe spoed is komen te vervallen. Hij heeft het verzoek evenwel niet ingetrokken, maar gevraagd om aanhouding.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak echter geen sprake van een voldoende spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft op zijn aanvraag een maatwerkvoorziening gekregen in de vorm van ondersteuning bij het sociaal en persoonlijk functioneren met de intensiteit plus. Vooralsnog zijn er geen indicaties dat deze maatwerkvoorziening voor verzoeker beslist ontoereikend is. Ook al zou verzoeker meer uren ondersteuning nodig hebben, zoals hij stelt, dan is daarmee nog niet gezegd dat de situatie op dit moment dusdanig nijpend is dat de beslissing in de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Niet gebleken is dat er een onomkeerbare situatie dreigt voor verzoeker.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.