ECLI:NL:RBDHA:2026:9377
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verlaging bijstand wegens kostendelersnorm
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om haar bijstand met 50% te verlagen op grond van de kostendelersnorm uit de Participatiewet, omdat haar inwonende zoon als kostendelende medebewoner is aangemerkt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, aangezien bij financiële geschillen doorgaans na afloop van de bodemprocedure het geschilbedrag alsnog kan worden terugbetaald. Verzoekster stelde dat er sprake is van een noodsituatie vanwege de ontruiming van de woning van haar zoon en diens schulden, maar zij onderbouwde dit niet met voldoende bewijs. Bovendien kunnen de schulden van de zoon niet aan haar worden toegerekend.
De voorzieningenrechter stelt dat het besluit niet evident onrechtmatig is, omdat de kostendelersnorm geen rekening houdt met de aard van het inkomen of de feitelijke kostenverdeling tussen medebewoners. Er is ook geen zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure onmogelijk maakt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventuele bodemprocedure. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van de bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatig besluit.