Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
23/7416
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser, als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon, een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden met tien maanden. Hierbij is rekening gehouden met een maximale bezwaarbehandeling van zes maanden en een beroepsbehandeling van anderhalf jaar. De overschrijding is verdeeld over drie maanden in de bezwaarfase en zeven maanden in de beroepsfase.

De rechtbank heeft de schadevergoeding berekend op €1.000,-, gebaseerd op een tarief van €500 per half jaar overschrijding. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €300,- (3/10 deel) en de Staat tot €700,- (7/10 deel). Er is geen proceskostenvergoeding toegekend omdat hier niet om is verzocht.

De uitspraak is gedaan door rechter M. van Paridon en griffier E.P.A. Stok op 9 februari 2026. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Verweerder en de Staat worden veroordeeld tot betaling van in totaal €1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7416

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser],
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [minderjarige zoon] (Abdullah), uit Den Haag, eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Mauricio de Oliveira)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

1. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

2. Ter zitting hebben partijen een schikking bereikt. Daarbij heeft eiser het beroep ingetrokken, alsmede de beroepen met zaaknummers 23/6500 en 23/7388. Zoals ter zitting besproken beslist de rechtbank op het verzoek van eiser om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
3.1.
De termijn is aangevangen op 30 januari 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De redelijke termijn eindigde derhalve op 30 januari 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (naar boven afgerond) tien maanden, van datum ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de intrekking van het beroep. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Met de overschrijding van tien maanden correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-.
3.2.
Van deze overschrijding is een periode van drie maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – zeven maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – drie maanden – voor rekening van verweerder. Hieruit volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 300,- (dat is 3/10 van
€ 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 700,-.
3.3.
Nu de gemachtigde niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek wordt toegewezen.
5. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:

-
veroordeelt verweerder tot het betalen van € 300,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 700,- aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.