Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/09/687892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:38 BWArt. 6:39 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor niet-betaalde leningen na faillissement horecabedrijf

Heineken verstrekte drie leningen aan een horecabedrijf dat in 2020 failliet ging. De hoofdelijk aansprakelijke partijen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], werden aangesproken voor betaling van de openstaande schuld. [gedaagde 2] stelde dat in 2023 een betalingsregeling was getroffen, maar Heineken betwistte dit.

De rechtbank oordeelde dat de afspraken over verrekening van jaarlijkse hectoliterbonussen geen volledige betalingsregeling vormden, mede omdat Heineken de incasso aan een incassobureau had uitbesteed. [gedaagde 2] begreep volgens de rechtbank dat aanvullende betalingen vereist waren en heeft geen onderbouwd betalingsvoorstel ingediend.

De vordering van Heineken, inclusief rente en incassokosten, werd toegewezen. De rechtbank wees het verweer van [gedaagde 2] af dat betaling door zijn broer in mindering moest worden gebracht, omdat dit niet aannemelijk was gemaakt. Beide gedaagden werden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de hoofdelijk aansprakelijke partijen tot betaling van de openstaande lening met rente en proceskosten, omdat geen volledige betalingsregeling is getroffen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/687892 / HA ZA 25-593
Vonnis van 25 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
HEINEKEN NEDERLAND B.V.te Amsterdam,
eiseres,
hierna te noemen: Heineken,
advocaat: mr. S.K. Tuithof,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
niet verschenen,
en

2.2. [gedaagde 2] te [woonplaats],

gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde 2].
advocaat: mr. L. de Wit.

1.Waar gaat deze zaak over?

Heineken heeft drie leningen verstrekt aan een inmiddels failliete onderneming. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de uit deze leningen voortvloeiende verplichtingen. Heineken heeft de leningovereenkomsten beëindigd en de verschuldigde bedragen opgeëist bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet hebben betaald is Heineken deze procedure gestart. [gedaagde 2] stelt dat Heineken het openstaande bedrag nu niet kan opeisen omdat hij in 2023 een betalingsregeling met Heineken heeft getroffen en dat hij hieraan voldoet. Heineken betwist dat er een betalingsregeling met [gedaagde 2] is getroffen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord van [gedaagde 2], met producties 1 tot en met 4;
  • de akte vermindering van eis van Heineken met één nadere productie (8, aanvankelijk abusievelijk genummerd als productie 7);
  • nog een nadere productie 9 en een productieoverzicht van Heineken;
  • de akte houdende overlegging producties 5 en 6 van [gedaagde 2];
  • de akte houdende overlegging productie 7 van [gedaagde 2].
2.2.
Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend.
2.3.
Op 6 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
2.4.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:
  • de akte uitlaten met productie 10 van Heineken;
  • de antwoordakte uitlaten van [gedaagde 2].

3.De feiten

3.1.
[bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) exploiteerde tot april 2020 een horecabedrijf.
3.2.
[gedaagde 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] en [gedaagde 2] was enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1].
3.3.
[bedrijf] heeft op 26 februari 2018 drie overeenkomsten gesloten met Heineken, twee vooruitbetalingsovereenkomsten en één geldleningsovereenkomst.
3.4.
Op basis van de eerste vooruitbetalingsovereenkomst (hierna: overeenkomst I) heeft Heineken € 100.000 aan [bedrijf] verstrekt (althans met het verstrekken van een lening aan [bedrijf] voor dit bedrag, is een vordering van Heineken op een eerder horecabedrijf van – mede – [gedaagde 2] afgelost). [bedrijf] was hierover geen rente verschuldigd als aan alle verplichtingen jegens Heineken werd voldaan, zoals dat in het horecabedrijf enkel tapbier van de Heineken concern merken zou worden geschonken en een jaarlijkse afnamegarantie (in deze overeenkomst van 600 hectoliter per jaar). Verder zou Heineken het jaarlijks verschuldigde termijnbedrag van € 10.000 vergoeden als [bedrijf] aan alle verplichtingen jegens Heineken voldeed (door dat bedrag jaarlijks te verrekenen met het openstaande saldo op dit vooruitbetaalde (althans: geleende) bedrag).
3.5.
Op basis van de tweede vooruitbetalingsovereenkomst (hierna: overeenkomst II) heeft Heineken eveneens € 100.000 aan [bedrijf] verstrekt (op dezelfde wijze als bij overeenkomst I). [bedrijf] was over dit bedrag een jaarlijkse rente verschuldigd van 8%. [bedrijf] was aan rente en aflossing een termijnbedrag aan Heineken verschuldigd van € 25.045,65 per jaar (voor het eerst op 1 januari 2019), maar dit bedrag kon worden verrekend met hetgeen [bedrijf] op jaarbasis van Heineken te vorderen had op grond van kortingsafspraken (hectoliterbonussen).
3.6.
Op basis van de geldleningsovereenkomst (hierna: overeenkomst III) heeft Heineken € 17.500 aan [bedrijf] verstrekt. [bedrijf] was over dit bedrag een rente verschuldigd van 8% per jaar. [bedrijf] zou aan rente en aflossing een termijnbedrag aan Heineken betalen van € 354,84 per maand (voor het eerst op 1 april 2018).
3.7.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich hoofdelijk aansprakelijk verklaard voor alle uit deze drie overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen van [bedrijf].
3.8.
[bedrijf] is op 14 april 2020 in staat van faillissement verklaard.
3.9.
Vanwege het faillissement van [bedrijf] heeft Heineken de overeenkomsten met [bedrijf] beëindigd en de verschuldigde sommen opgeëist bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als hoofdelijk aansprakelijke partijen. De overeenkomsten bepalen daarover als volgt:
3.10.
[gedaagde 2] is na het faillissement van [bedrijf] verder gegaan met het exploiteren van een midgetgolfbaan met horecavoorziening. Voor de horecavoorziening van de midgetgolfbaan golden (sommige van) de verplichtingen voor het schenken van tapbier, zoals het enkel schenken van de Heineken concern merken, ook.
3.11.
In januari 2023 heeft [gedaagde 2] contact gehad met [naam 1] van Heineken. Op 24 januari 2023 heeft [naam 1] het volgende aan [gedaagde 2] gemaild:
“Hi [gedaagde 2],
Dank voor het gesprek dat we hebben gehad. Zoals we hebben aangegeven hebben we vorige week een oplossing besproken.
Momenteel ontvang je van [naam 2] € 50 affactuur korting op pils. Deze korting blijft staan.
Onderstaande vordering wordt overgedragen aan het [incassobureau]. Wij willen je hier wel bij helpen om dit af te lossen. Om onderstaande (deels) af te lossen zullen wij een bedrag van € 65,- per HL bonus op tappils jaarlijks extra toezeggen, wat direct verrekend wordt met het incassobureau.
Dit gaan we dan ook inregelen met hen. Verder is het aan jou om extra geld af te lossen wanneer daar ruimte voor is. Dit komt dus voor nu neer op een totale korting van € 115,- totaal. Dit document wordt nog opgesteld en ontvang je van mij binnenkort.
Verder willen we je uiteraard ondersteunen in de juiste zichtbaarheid van de zaak. [..]”
3.12.
In de samenwerkingsovereenkomst die [gedaagde 2] en Heineken in 2023 zijn aangegaan (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) ten aanzien van de horecavoorziening van de midgetgolfbaan, is hierover het volgende opgenomen:
“[..]
KORTING ACTHERAF
Eigen concern merken
Voor Heineken/Amstel/Brand/Birra Moretti/ Maes pils tapbier (20/30/50 liter en kelderbier) verstrekken wij u een bonus van € 65,00 per (tijdig betaalde) hectoliter. Deze bonus gaat in per 1 januari 2023 en wordt achteraf berekend per kalenderjaar. Deze bonus wordt volledig gebruikt ter aflossing van uw openstaande schuld - per 20 april 2023 bedraagt die schuld
€ 197.024,26 - die u bij HEINEKEN heeft. Deze openstaande en opeisbare schuld is thans in behandeling bij [incassobureau] Incasso en Gerechtsdeurwaarders.
U krijgt deze bonus zolang u alle tapbieren & ciders van het Heineken assortiment voor '[horecagelegenheid] ' gelegen aan de [adres] afneemt via Drinxx Groothandel dan wel mogelijk in de toekomst via Heineken/Sligro.
KORTING AF-FACTUUR welke u via Drinxx Groothandel B.V. ontvangt
Eigen concern merken
PRODUCT GROEP VERPAKKING KORTING EENHEID
Pils fust 20/30/50 liter €50,00 Per hectoliter
[..]
De bonussen worden berekend op basis van de afgenomen hectoliters welke door [gedaagde 2]. bij
Drinxx Groothandel B.V. zijn afgenomen.
Aan het begin van het kalenderjaar zult u ons de afzetgegevens van Drinxx Groothandel B.V. doen
toekomen van het achterliggende kalenderjaar om de bonus uit te kunnen rekenen.
[..]”
3.13.
Heineken heeft haar vordering op 14 april 2023 overgedragen aan [incassobureau]. [incassobureau] heeft [gedaagde 2] verzocht om het openstaande bedrag op de beëindigde overeenkomsten te betalen, waarop [gedaagde 2] op 3 mei 2023 het volgende aan [incassobureau] heeft geschreven:
“Hierna ben ik met Heineken in gesprek gegaan over openstaande lening. In het gesprek met Heineken begreep ik dat er coulance was richting mij. Dat er iets betaald moet worden begreep ik ook wel.
Wij zijn eigenlijk nog steeds in gesprek en plotseling kreeg ik bericht van jullie dat de gehele
vordering wordt opgeëist. Mijn accountmanager [naam 1] wist hier ook niets van. Er wordt nu een
datum gepland met Heineken voor een gesprek.”
3.14.
Daarna heeft [gedaagde 2] op 6 juni 2023 een voorstel voor een betalingsregeling bij [incassobureau] ingediend. [incassobureau] heeft [gedaagde 2] vervolgens gevraagd om (uiterlijk op 13 juni 2023) een inkomsten/uitgaven formulier in te vullen en een aanbetaling te doen van
€ 2.500, waarna over een betalingsregeling kan worden gesproken. [gedaagde 2] heeft geen inkomsten/uitgaven formulier ingevuld en geen aanbetaling gedaan.
3.15.
In de periode daarna heeft [incassobureau] nog het volgende aan [gedaagde 2] gemaild:
3.16.
[gedaagde 2] heeft geen onderbouwd betalingsregeling ingediend en heeft ook niets meer afgelost.
3.17.
Heineken heeft creditfacturen opgemaakt voor de met het openstaande bedrag uit de beëindigde overeenkomsten te verrekenen (jaarlijkse) hectoliterbonussen, voor de volgende bedragen:
  • over de jaren 2018-2022: € 24.318,58,
  • over de jaren 2023 en 2024: € 14.314,31, en
  • over het jaar 2025: € 7.031,31,
optellend tot een totale korting van: € 45.664,20.

4.Het geschil

4.1.
Heineken vordert – na vermindering van eis en nadere concretisering van haar vordering – uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 178.964,99 (inclusief rente tot en met 18 april 2025) te vermeerderen met de contractuele rente, dan wel de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 96.563,79 vanaf 19 april 2025 tot en met de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Heineken, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Heineken, waarbij Heineken – uitvoerbaar bij voorraad – wordt veroordeeld in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, dan wel de forfaitaire proceskosten.
4.3.
[gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Is de vordering opeisbaar?
5.1.
In deze zaak staat centraal of [gedaagde 2] in 2023 een betalingsregeling met Heineken heeft getroffen. Een verbintenis tot betaling van een geldsom is immers niet opeisbaar als door partijen gemaakte afspraken over betaling in termijnen worden nagekomen (artikel 6:38 en Pro 6:39 van het Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die voortvloeien uit de drie overeenkomsten. Verder is tussen partijen ook niet in geschil dat zij na de beëindiging van de overeenkomsten nadere afspraken hebben gemaakt over (verrekening van) extra jaarlijkse hectoliterbonussen met de openstaande vordering. Volgens [gedaagde 2] hebben deze nadere afspraken te gelden als een betalingsregeling. Heineken betwist dit. Zij stelt zich op het standpunt dat deze afspraken zijn gemaakt om [gedaagde 2] tegemoet te komen. Heineken betwist echter dat zij heeft toegezegd of bevestigd dat [gedaagde 2] naast een aanvullende verrekening van jaarlijkse hectoliterbonussen niet gehouden was om enige andere betaling ter aflossing van de openstaande vordering te verrichten.
5.3.
Om te kunnen beoordelen of de afspraken die partijen hebben gemaakt gekwalificeerd kunnen worden als een betalingsregeling, zullen deze afspraken moeten worden uitgelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Daarbij kijkt de rechtbank naar de bedoelingen van partijen en wat zij, gelet op alle concrete omstandigheden van het geval, op dit punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij komt betekenis toe aan zowel subjectieve gezichtspunten (zoals de hoedanigheid van partijen) als objectieve gezichtspunten (zoals de gebruikte bewoordingen en de structuur van de overeenkomst).
5.4.
Toetsend aan deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat Heineken en [gedaagde 2] niet een zodanige betalingsregeling hebben getroffen dat de vordering van Heineken niet meer opeisbaar is. Zij legt hierna uit waarom.
5.5.
De nadere afspraken over de verrekening van (op de al bestaande jaarlijkse hectoliterbonussen) extra bonussen zijn in het voorjaar van 2023 tot stand gekomen. In diezelfde periode, op 14 april 2023, heeft Heineken de incasso van de schuld uitbesteed aan [incassobureau]. [naam 1] van Heineken heeft dit reeds op 24 januari 2023 in haar e-mail aan [gedaagde 2] aangekondigd en in de samenwerkingsovereenkomst staat ook vermeld dat de openstaande schuld inmiddels in behandeling is bij [incassobureau]. Als Heineken met de afspraken over de verrekening van de hectoliterbonussen een allesomvattende betalingsregeling met [gedaagde 2] had willen treffen, dan was het niet nodig geweest om de incasso van de vordering uit handen te geven. Zolang een betalingsregeling wordt nagekomen is een vordering immers niet opeisbaar. [gedaagde 2] heeft dus door de omstandigheid dat Heineken de incasso van de schuld heeft uitbesteed aan [incassobureau], kunnen en moeten begrijpen dat de afspraken over de verrekening van de hectoliterbonussen geen zodanige betalingsregeling inhielden dat hij verder niets meer hoefde te betalen.
5.6.
Dat [gedaagde 2] zelf ook heeft begrepen dat hij geen allesomvattende betalingsregeling met Heineken had getroffen, volgt bovendien uit de correspondentie tussen [gedaagde 2] en [incassobureau]. [gedaagde 2] schrijft op 3 mei 2023, en dus na het maken van de nadere bonusafspraken met Heineken, in zijn e-mail aan [incassobureau]:
“Hierna ben ik met Heineken in gesprek gegaan over openstaande lening. In het gesprek met Heineken begreep ik dat er coulance was richting mij. Dat er iets betaald moet worden begreep ik ook wel.
Wij zijn eigenlijk nog steeds in gesprek en plotseling kreeg ik bericht van jullie dat de gehele
vordering wordt opgeëist. Mijn accountmanager [naam 1] wist hier ook niets van. Er wordt nu een
datum gepland met Heineken voor een gesprek.”
Daarna (op 6 juni 2023) heeft [gedaagde 2] ook een betalingsregeling bij [incassobureau] ingediend. [incassobureau] heeft daar (anders dan [gedaagde 2] heeft gesteld) wel degelijk op gereageerd door [gedaagde 2] in de gelegenheid te stellen om een inkomsten/uitgaven formulier in te vullen en een aanbetaling van € 2.500 te doen, waarna zij bereid zou zijn om (verder) te spreken over een betalingsregeling. In de periode daarna heeft [incassobureau] [gedaagde 2] nog eens verzocht om een onderbouwd betalingsvoorstel in te dienen, wat [gedaagde 2] niet heeft gedaan. [gedaagde 2] heeft naar het oordeel van de rechtbank dus duidelijk begrepen dat er volgens Heineken (en [incassobureau]) meer betaald moest worden dan de verrekening van de hectoliterbonussen.
5.7.
Daar komt bij dat met de jaarlijkse verrekening van de hectoliterbonussen, mede gezien de jaarlijks verschuldigde rente, niet of slechts in geringe mate wordt afgelost op de hoofdsom, zodat de schuld bij Heineken op deze wijze niet binnen een redelijke termijn volledig kan worden afbetaald. Onder de beëindigde overeenkomsten met [bedrijf] gold nog een afnameverplichting van 600 hectoliter per jaar, wat met een toen geldende korting van € 50 per hectoliter afname (zie de e-mail van [naam 1] van 24 januari 2023), tot een aflossing van € 30.000 per jaar leidde, naast de jaarlijks/maandelijks verschuldigde termijn bedragen. Zoals volgt uit de creditfacturen leidt de exploitatie van de horecavoorziening bij de midgetgolfbaan, zelfs met de extra hectoliterbonus van € 65 per hectoliter afname (en dus totaal € 115), slechts tot een jaarlijkse bonus van (maximaal) ongeveer € 7.000. Dit bedrag komt niet of nauwelijks uit boven de jaarlijks verschuldigde rent over de openstaande vordering (zie onder). Ook hierom heeft [gedaagde 2] niet kunnen en mogen verwachten dat hij bevrijd zou zijn van aanvullende betalingen naast de verrekening van de hectoliterbonussen.
5.8.
Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat Heineken met [gedaagde 2] heeft willen meedenken bij het zoveel mogelijk beperkt houden van de vordering, maar dat partijen geen allesomvattende regeling tot afbetaling van de schuld hebben getroffen. Daarmee is de vordering van Heineken opeisbaar zodat [gedaagde 2] kan worden veroordeeld tot betaling hiervan.
De hoogte van de vordering
5.9.
Vervolgens rijst de vraag welke vordering op dit moment nog resteert na verrekening van de jaarlijkse hectoliterbonussen. Heineken is na de zitting nog in de gelegenheid gesteld haar vordering, inclusief de verschuldigde rente, nader te concretiseren.
5.10.
De vordering – zoals deze thans bestaat – is volgens Heineken als volgt opgebouwd:
  • hoofdsom overeenkomst I € 80.000,-- (renteloos)
  • hoofdsom overeenkomst II € 98.658,75 (rente 8% per jaar)
  • hoofdsom overeenkomst III € 15.626,25 (rente 8% per jaar)
  • rentevordering overeenkomst II en III € 27.942,99 (tot 18 april 2025)
  • /- bonussen 2018 tot en met 2025 € 45.664,20
  • buitengerechtelijke incassokosten € 2.401,83 (over € 162.683,42)
Totaal €178.964,99
5.11.
Naar de rechtbank uit de berekeningen van Heineken begrijpt, vordert Heineken deze vordering te vermeerderen met de contractuele rente van 8% over een bedrag van € 96.563,79 (€ 98.658,75 + € 15.626,25 + € 27.942,99 -/- €45.664,20) met ingang van 19 april 2025 (omdat de rente over de periode tot en met 18 april 2025 al verwerkt is in de berekening, zie rentevordering overeenkomst II en III.
5.12.
[gedaagde 2] heeft de door Heineken geconcretiseerde bedragen niet betwist zodat de vordering toewijsbaar is.
5.13.
[gedaagde 2] heeft in zijn antwoordakte uitlaten voor het eerst gesteld dat de vordering van Heineken ook nog moet worden verminderd met de betaling van zijn broer ten bedrage van € 25.000. Op de mondelinge behandeling van 6 februari 2026 is het debat tussen partijen echter gesloten en is vonnis bepaald. Heineken heeft uitsluitend de gelegenheid gekregen om haar vordering inclusief de renteberekening nader te concretiseren en [gedaagde 2] heeft uitsluitend de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. Napleiten door het innemen van een nieuw standpunt nadat het vonnis is bepaald, is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank slaat daarom geen acht op deze stelling.
5.14.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [gedaagde 2] reeds in zijn conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht dat zijn broer zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens Heineken heeft afgekocht door betaling van een bedrag van € 25.000 aan Heineken. Ook op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] dit benoemd. Dat deze betaling in mindering strekte op het bedrag waarvoor [gedaagde 2] nu door Heineken aansprakelijk wordt gehouden, is echter gesteld noch gebleken. Bovendien is deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd en komt de rechtbank deze stelling – gezien het debat tussen partijen en de ingediende producties – ook niet aannemelijk voor.
Proceskosten
5.15.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Heineken betalen. De proceskosten van Heineken worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × tarief V €2.051)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.301,71
5.16.
Omdat [gedaagde 1] niet in de procedure is verschenen kan [gedaagde 1] slechts hoofdelijk worden aangesproken voor een bedrag aan proceskosten van € 9.250,71, terwijl [gedaagde 2], die wel in de procedure is verschenen, kan worden aangesproken voor de volledige proceskosten. Dit zal in het dictum tot uitdrukking worden gebracht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om aan Heineken te betalen een bedrag van € 178.964,99, te vermeerderen met de contractuele rente van 8% per jaar over een bedrag van € 96.860,79 met ingang van 19 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 9.250,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [gedaagde 2] daarnaast in de overige proceskosten van € 2.051, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken door mr. P. Dondorp, rolrechter, op 25 maart 2026 (bij vervroeging).
1366