ECLI:NL:RBDHA:2026:9387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
AWB 20/3669
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijk verklaring opvolgende asielaanvraag afgewezen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. De niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Echter, de rechtbank heeft het beroep van verzoeker inmiddels ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3669

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende asielaanvraag.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 januari 2020 de opvolgende aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw [2] .
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen beroep [3] ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening heeft te gelden als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. [4]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Geregistreerd onder zaaknummer AWB 20/3668.
4.Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.