ECLI:NL:RBDHA:2026:9397
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.G. Vegter
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser, van Dominicaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend die op 31 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 2 maart 2026, waarbij eiser niet aanwezig was.
Na de zitting ontving de rechtbank aanvullende informatie van verweerder dat eiser op 3 april 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. Op diezelfde dag trok eiser het beroep schriftelijk in. De rechtbank heropende het onderzoek om deze stukken te beoordelen. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en verwees naar het eerdere oordeel van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer heeft omdat hij zonder mededeling van verblijfplaats is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.