ECLI:NL:RBDHA:2026:9402
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na eerdere afwijzing
Verzoeker, een Nigeriaanse asielzoeker, diende in 2019 een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in, welke in 2022 werd afgewezen. Zowel de rechtbank als de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigden de afwijzing.
In 2024 diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister in december 2025 als kennelijk ongegrond werd afgewezen, mede verwijzend naar een eerder opgelegd terugkeerbesluit.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 12 maart 2026 werd het verzoek behandeld. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de hoofdzaak (zaaknummer NL25.61802) reeds is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet meer nodig is.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 17 april 2026 en staat niet open voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en uitspraak is gedaan.