Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9404

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
SGR 25/491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.29 Omgevingsplan gemeente Den HaagArt. 12a WoningwetArt. 5.19 OmgevingswetArt. 22.26 Omgevingsplan gemeente Den HaagArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor rolluiken aan buitengevel horecagelegenheid

Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van rolluiken aan de buitenzijde van de gevel van haar horecagelegenheid. De gemeente weigerde deze vergunning omdat de rolluiken niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd in de Welstandsnota Den Haag 2017. Eiseres had de rolluiken reeds geplaatst en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat medewerkers van de gemeente en politie positief hadden gereageerd op haar voorstel.

De rechtbank oordeelt dat het college de weigering terecht heeft gedaan. Het welstandsadvies was zorgvuldig tot stand gekomen en de rolluiken voldoen niet aan de criteria, met name omdat zij de achterliggende gevel onvoldoende herkenbaar houden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen sprake is van een toezegging door het bestuur.

Eiseres is niet verschenen op de zitting, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat zij correct was opgeroepen. De kennisgeving was aangekomen bij een PostNL-punt maar niet afgehaald, wat voor risico van eiseres komt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor rolluiken aan de buitengevel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

(gemachtigde: mr. S.V.Benjamin).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen om de buitenzijde van de horecagelegenheid aan de [adres] van rolluiken te voorzien.
1.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit waarbij haar aanvraag om deze omgevingsvergunning is geweigerd. Met het besluit op het bezwaar is het college bij de weigering gebleven. Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen het besluit op bezwaar heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Op het adres de [adres] is een horecaonderneming gevestigd waar zich in het verleden incidenten hebben voorgedaan. Ter voorkoming van verdere incidenten is eiseres - na overleg met de gemeente en de politie - ertoe overgegaan om rolluiken te plaatsen. Op basis van een vergunningencheck meende eiseres dat dit vergunningvrij kon. Op 4 april 2024 heeft zij alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd voor de inmiddels aan de buitenzijde van de gevel aangebrachte rolluiken.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 30 juli 2024 heeft het college de aanvraag geweigerd omdat de rolluiken in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Het college baseert zich daarbij op een negatief welstandsadvies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag van 24 juli 2024. Daarin is overwogen:
“De commissie kan niet instemmen met de rolluiken aan de gevel. Volgens de nota [1] dienen rolluiken zich aan de binnenzijde te bevinden. De nu voorgestelde rolluiken houden de achterliggende gevel niet voldoende herkenbaar. Dit geldt zowel voor de open als voor de gesloten toestand. Hierdoor ontstaat een verarming van de gevel en daardoor een aantasting van de architectuur.”
3.1.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 18 december 2024 is het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiseres is zonder aankondiging niet op de zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De afwezigheid van eiseres op de zitting
4. Omdat eiseres zonder aankondiging niet op de zitting is verschenen, is de rechtbank ambtshalve nagegaan of eiseres aan het juiste adres en op de juiste wijze is opgeroepen. Omdat dit het geval bleek, is de rechtbank buiten aanwezigheid van eiseres tot de inhoudelijke behandeling van het beroep overgegaan, waarna het onderzoek is gesloten.
4.1.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting is de rechtbank gebleken dat de laatst bekende status van de verzending van 21 januari 2026 dateert met als vermelding ‘Verwacht bij PostNL-punt’. De rechtbank heeft PostNL naar aanleiding hiervan verzocht te onderzoeken of de kennisgeving voor de zitting op het PostNL-punt is aangekomen. De uitkomst van dit onderzoek is dat de oproeping wel op het PostNL-punt is aangekomen, maar daar niet is afgehaald. Omdat het niet afhalen van een aangetekend verzonden stuk en het niet kennisnemen daarvan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) voor risico van de geadresseerde komt [2] , heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.
Toetsingskader
5. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Heeft het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren?
6. De rechtbank moet beoordelen of het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.
6.1.
Op grond van artikel 22.29, eerste lid onder b, van het Omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, wordt een omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand.
6.2.
Bij de toetsing van een zaak als deze is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het volgende van belang. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [3]
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen eigen advies ter betwisting van het welstandsadvies heeft overgelegd. De vraag is dan of in wat eiseres heeft aangevoerd concrete aanknopingspunten zijn te vinden voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de daarin gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De aanvraag is kenbaar getoetst aan de objectspecifieke criteria voor een rolluik zoals vermeld onder 2.2.3 van de Welstandsnota Den Haag 2017. Volgens die criteria is het uitgangspunt dat een rolluik aan de binnenzijde van de gevel wordt geplaatst. Wanneer plaatsing aan de binnenzijde van de gevel niet mogelijk is, kan onder voorwaarden een rolluik aan de gevel bevestigd worden. Dat plaatsing van de rolluiken aan de binnenzijde van de gevel niet mogelijk is, is echter niet gesteld of gebleken.
6.4.
De door eiseres veronderstelde preventieve werking van rolluiken aan de buitenzijde van de gevel is geen voorwaarde om van het hiervoor bedoelde uitgangspunt af te wijken. Ter zitting heeft het college opgemerkt dat plaatsing aan de buitenzijde sowieso niet toelaatbaar is omdat de rolluiken niet de daarvoor vereiste mate van transparantie bezitten. Dat de kleur van de rolluiken overeenkomt met die van de rest van de gevel, is evenmin een voorwaarde om af te wijken van het hiervoor bedoelde uitgangspunt. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van een tijdschakelaar waarmee het openen en sluiten van de rolluiken binnen een bepaald tijdvak is ingesteld nu het welstandsadvies vermeldt dat de rolluiken ook in open toestand de achterliggende gevel niet voldoende herkenbaar houden.
Kennelijk beroep op het vertrouwensbeginsel
7. Eiseres voert aan dat zij de rolluiken aan de buitenzijde van de gevel heeft geplaatst nadat een medewerker van de gemeente en de politie positief hadden gereageerd op haar voorstel daartoe. Voor zover zij zich hiermee beroept op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.
De Afdeling heeft in een uitspraak van 29 mei 2019 een stappenplan uiteengezet dat wordt gehanteerd bij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. [4]
7.2.
De enkele stelling van eiseres dat door onder meer een medewerkster van de gemeente positief is gereageerd op haar voorstel om rolluiken te plaatsen, is geen toezegging als hiervoor bedoeld. Niet is immers gebleken dat door deze medewerkster uitlatingen zijn gedaan op grond waarvan eiseres heeft kunnen menen dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van rolluiken zou worden ingewilligd. Voor zover eiseres zich op het vertrouwensbeginsel beroept, faalt dit beroep.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.19 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
(…)
Omgevingsplan gemeente Den Haag
Artikel 22.26
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
(…)
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
(…)
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
(…)
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Woningwet
Artikel 12a (zoals luidend op 31 december 2023)
1. De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een
omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
(…)
Welstandsnota Den Haag 2017
2.2
Objectspecifieke criteria
(…)
In principe zijn de verschillende criteria voor een object even belangrijk. De rangschikking van de criteria geeft niet het belang van een criterium aan, op zichzelf of in relatie tot de andere criteria.
Ieder criterium is voorzien van een toelichting die ingaat op de rol van het bouwwerk in de omgeving en die het gebruik van het criterium uitlegt.
De objectcriteria zijn onderverdeeld in vier groepen. Deze verdeling is gebaseerd op de manier waarop een te bouwen bouwwerk zich tot een bestaand gebouw verhoudt:
het vervangen of aanpassen van een deel van een bestaand gebouw;
het uitbreiden van de gebruiksoppervlakte en/of de inhoud van een bestaand gebouw, daarmee verbonden of losstaand;
het toevoegen van zuiver functionele elementen aan het uiterlijk van een bestaand gebouw;
bouwen op het erf van een bestaand gebouw.
(…)
2.2.3
Toevoegen
Een (…) rolluik, (…) zijn voorbeelden van een toevoeging: een bouwwerk dat aan de architectuur van een bestaand gebouw wordt toegevoegd. Een toevoeging heeft vaak een eigen, zuiver functionele vormgeving. Daardoor gaat deze niet op in de architectuur van het gebouw, maar wordt daar onderdeel van als toegevoegd of extra element.
(…)

Rolluik
 Een rolluik is aan de binnenzijde van een gevel geplaatst.
In Den Haag is het uitgangspunt dat een rolluik aan de binnenzijde van de gevel moet worden geplaatst. Een rolluik aan de buitenzijde van de gevel werkt als een scherm dat de gevel aan het zicht onttrekt: als een gevel voor een gevel.
­ Wanneer plaatsing aan de binnenzijde van de gevel niet mogelijk is, kan onder voorwaarden een rolluik aan de gevel bevestigd worden.
­ Een rolluik aan een gevel houdt de architectonische kenmerken van die gevel herkenbaar, in open en in gesloten toestand.
Wanneer een rolluik aan een gevel wordt geplaatst, moet het rolluik de achterliggende gevel herkenbaar houden, d.w.z. de architectonische kenmerken blijven het gevelbeeld domineren, bij een open en bij een gesloten rolluik.
­ Een rolluik aan een gevel is in gesloten toestand voor minimaal 75% transparant.
Een rolluik aan een gevel is in gesloten toestand transparant om de diepte in het gevelbeeld te behouden.
­ Meerdere rolluiken aan een gevel zijn gelijk vormgegeven en bevestigd.
Door een gelijke vormgeving en bevestiging van meerdere rolluiken aan een gevel blijft de eenheid van de architectuur behouden.

Voetnoten

1.Welstandsnota Den Haag 2017.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1269, rechtsoverweging 4.3.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:163 en de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5116.
4.ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2.