ECLI:NL:RBDHA:2026:9431
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning asiel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie op 9 september 2025 het verblijfsrecht van verzoeker ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2 april 2019, de aanvraag tot verlenging afgewezen, en een terugkeerbesluit, inreisverbod en signalering voor twintig jaar uitgevaardigd.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en daarnaast een voorlopige voorziening gevraagd om rechtmatig verblijf te behouden tot vier weken na de uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter heeft het verzoek buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter constateert dat op het onderliggende beroep inmiddels is beslist door de meervoudige kamer, waardoor een voorlopige voorziening niet langer mogelijk is. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het onderliggende beroep reeds is beslist.