Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet OBArt. 9 Wet OBTabel I, post b3 Wet OBArt. 135 Zesde RichtlijnArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling omzetbelasting verhuur squash- en padelbanen aan particuliere sporters

Eiseres, een fiscale eenheid die squash- en padelcentra exploiteert, maakte bezwaar tegen een teruggaafbeschikking omzetbelasting over juni 2024. De Belastingdienst had bezwaar ongegrond verklaard omdat zij de verhuur van banen belastte tegen het verlaagde tarief van 9% als gelegenheid tot sportbeoefening.

De rechtbank onderzocht of de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters moet worden aangemerkt als vrijgestelde verhuur van onroerende zaken of als belastbare gelegenheid tot sportbeoefening. Eiseres stelde dat sprake is van passieve verhuur met exclusief gebruiksrecht, zonder aanvullende diensten die de verhuur overstijgen.

De rechtbank oordeelde dat de verhuur inderdaad vrijgesteld is omdat sporters een exclusief gebruiksrecht krijgen en er geen toezicht of aanvullende diensten zijn die de verhuur veranderen in een sportbeoefeningsdienst. De aanwezigheid van kleed- en doucheruimten en horeca met beperkte toegang tot de banen is onvoldoende om de verhuur als belastbare sportgelegenheid te kwalificeren.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bezwaar en stelde de teruggaafbeschikking vast op een hoger bedrag. Tevens werden proceskosten toegekend aan eiseres.

Uitkomst: De verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is vrijgesteld van omzetbelasting als verhuur van onroerende zaken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/4423

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., c.s., gevestigd te Hillegom, eiseres
(gemachtigde: H. van den Berg),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting over de maand juni 2024.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.
Namens eiseres zijn, naast haar gemachtigde, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (ter bijstand) verschenen.
Namens verweerder zijn mr. [naam 5] en [naam 6] verschenen.
Bij het onderzoek ter zitting is gelijktijdig met onderhavige zaak het beroep met zaaknummer SGR 25/4427 behandeld.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). De fiscale eenheid bestaat uit de vennootschappen: [BV 1] BV, [BV 2] BV, [BV 3] BV, [BV 4] BV, [BV 5] BV, [BV 6] BV, [BV 7] BV, [BV 8] BV, [BV 9] BV en [BV 10] BV.
2. Eiseres exploiteert squash- en padelcentra. In deze centra is ook altijd een horecagelegenheid gevestigd. Sporters kunnen voor een bepaalde tijdsduur, tegen een bepaald tarief per tijdseenheid of op basis van een abonnement een squash- of padelbaan huren.
3. Naast de exploitatie van squash- en padelcentra wordt binnen de fiscale eenheid onderling vastgoed verhuurd en wordt in [plaats] een onroerende zaak aan een kinderopvangorganisatie verhuurd.
4. Verder verricht eiseres de volgende diensten: het exploiteren van de horecavoorzieningen, het geven van squash- en padellessen, het bespannen van rackets, de verkoop van sportartikelen en kleding, reclame/sponsoring van bedrijven, onderhoudswerkzaamheden, advieswerkzaamheden, het in rekening brengen van administratiekosten, verhuur van ruimten aan onder andere een logistiek bedrijf en een masseur. Tussen partijen is niet in geschil dat de hiervoor genoemde activiteiten, met uitzondering van de verhuur van ruimten aan een logistiek bedrijf en een masseur, voor de omzetbelasting belaste activiteiten zijn.
5. Naar aanleiding van een teruggaafverzoek van eiseres over de maand juli 2023 en een daaropvolgend onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres vanaf de start van haar activiteiten geen omzetbelasting heeft afgedragen over de verhuur van de squash- en padelbanen omdat zij van mening is dat deze verhuur vrijgesteld is ingevolge artikel 11, eerste lid, letter b, van de Wet OB.
6. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten waarin onder andere is afgesproken dat eiseres met ingang van 1 januari 2024, overeenkomstig het standpunt van verweerder, over de verhuur van de squash- en padelbanen omzetbelasting afdraagt naar het verlaagde tarief van 9%, dit in afwachting van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.
7. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen onder meer de teruggaafbeschikking naar aanleiding van haar aangifte omzetbelasting over de maand juni 2024, die leidde tot een teruggaaf van € 216 aan omzetbelasting. In haar bezwaarschrift heeft zij het standpunt ingenomen dat over de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters ten onrechte 9% omzetbelasting in rekening is gebracht. Eiseres verzoekt om een aanvullende teruggaaf van € 12. Bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Geschil8. In geschil is of de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB en aldus belast is tegen het verlaagde tarief van 9%, of dat deze ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wet OB als vrijgestelde verhuur dient te worden aangemerkt. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

9. Eiseres stelt primair dat de verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters is aan te merken als voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van onroerende zaken. Hiertoe voert eiseres onder meer aan dat er sprake is van een passieve handeling. Er is geen specifieke infrastructuur nodig en er zijn geen andere faciliteiten nodig om de sport squash of padel te kunnen beoefenen. Door het huren van een squash- of padelbaan verkrijgt de sporter het exclusieve gebruiksrecht om gedurende een vooraf bepaalde tijd gebruik te kunnen maken van die baan. Dit exclusieve gebruiksrecht kwalificeert als verhuur, aldus eiseres.
Subsidiair beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres wijst erop dat verweerder in een drietal gevallen heeft toegestemd of berust in de toepassing van de vrijstelling bij de verhuur van squashbanen.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de verhuur van squash- en padelbanen sprake is van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Deze prestatie is belast tegen het 9% tarief. Eiseres verricht aanvullende diensten ten behoeve van de sportbeoefening, zoals het beschikbaar stellen van kleed- en doucheruimte, sanitair en horecagelegenheid, zodat er geen sprake is van (kale) verhuur van een onroerende zaak. Met betrekking tot beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt verweerder dat dit niet kan slagen.
Beoordeling van het geschil
11. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OB is de verhuur van onroerende zaken van omzetbelasting vrijgesteld.
12. Ingevolge artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB is het verlaagde tarief van toepassing op de levering van goederen en diensten vermeld in de bij de Wet OB behorende Tabel I. Post b.3 van Tabel I luidt: “het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden”.
13. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie [1] volgt onder meer dat het wezenlijke kenmerk van het begrip ‘verhuur van onroerende goederen’ in de zin van artikel 135, eerste lid, letter l van de BTW-richtlijn 2006 [2] (Zesde Richtlijn) erin bestaat dat aan een huurder voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en om ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde overeenkomst beantwoordt aan deze definitie, moet rekening worden gehouden met alle eigenschappen van de handeling en met de omstandigheden ervan. Beslissend is dienaangaande de objectieve aard van de betrokken handeling, ongeacht hoe deze door de partijen wordt voorgesteld. Daarnaast is slechts sprake van verhuur van een onroerend goed in de zin voor de hiervoor genoemde bepaling van de Zesde Richtlijn wanneer is voldaan aan alle kenmerkende voorwaarden voor deze handeling, te weten de eigenaar van een onroerend goed heeft de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleend zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten. Ook heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Het is hierbij in beginsel de taak van de nationale rechterlijke instanties om gelet op de omstandigheden van elk concreet geval de wezenlijke kenmerken van de betrokken handeling vast te stellen teneinde deze handeling te kwalificeren uit het oogpunt van de Zesde Richtlijn. [3]
14. Ook in haar arrest van 18 januari 2001 [4] heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 135, eerste lid, letter l van de Zesde Richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Verder heeft het Hof van Justitie in dit arrest onder meer geoordeeld dat diensten die verband houden met de beoefening van sport en lichamelijke opvoeding zoveel mogelijk als één geheel moeten worden beschouwd. Om de aard van een belastbare handeling vast te stellen dienen alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking te worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. Indien een prestatie niet alleen het passief ter beschikking stellen van een terrein behelst, maar ook commerciële activiteiten omvat zoals het toezicht, het beheer en het voortdurende onderhoud door de dienstverrichter en de terbeschikkingstelling van andere installaties, is de verhuur van het terrein, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet de overwegende prestatie. [5] Het is aan de nationale rechter om uit te maken, of de in geding zijnde activiteiten al dan niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting. [6]
15. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van voor de omzetbelasting vrijgestelde verhuur van squash- en padelbanen aan particuliere sporters heeft eiseres ter zitting over de door haar verleende diensten onder meer het volgende verklaard. Een sporter reserveert via het online reserveringssysteem een squash- of padelbaan op een bepaald tijdstip voor een bepaalde tijdsduur. Hij verkrijgt hiermee het exclusieve gebruiksrecht tot die specifieke baan. Een baan is te reserveren tussen negen uur ochtends en één uur ’s nachts. Deze tijdspanne is gelijk aan de openingstijden van de horeca. Het personeel van de horeca opent en sluit het pand. Er is geen personeel aanwezig in de squash-/padelhal. Achter de bar in de horecagelegenheid zitten de lichtknoppen voor de banen. Het horecapersoneel ziet vanuit het horecagedeelte de banen niet en houdt er ook geen toezicht op. In bepaalde uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de verlichting niet werkt, kan een sporter zich melden bij de bar. Ten aanzien van het onderhoud en schoonmaak van de banen heeft eiseres verklaard dat de houten vloeren éénmaal in de twintig jaar vervangen worden en éénmaal in de vijf jaar geschuurd worden en van een nieuwe belijning worden voorzien. Verder onderhoud is niet noodzakelijk. De glaswanden worden één keer in de maand gezeemd. Naast de verhuur van de baan aan de sporter zijn er geen aanvullende diensten die de sporter kan afnemen, zoals de huur van rackets en ballen. Wel zijn er kleed- en doucheruimten en toiletten.
16. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen is overwegen onder 15, in het onderhavige geval sprake van vrijgestelde verhuur van onroerend goed aan de particuliere sporters. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de particuliere sporter door het maken van een reservering in het online reserveringssysteem een exclusief gebruiksrecht verkrijgt om op een bepaalde datum en gedurende een bepaalde tijd gebruik te maken van een bepaalde squash- of padelbaan. Het gebruik van die betreffende baan is gedurende die gereserveerde tijd voor anderen uitgesloten. Verweerders stelling dat een particuliere sporter een complex van diensten afneemt en er een vorm van toezicht aanwezig is waardoor de diensten van eiseres moeten worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in de zin van Tabel I, post b3, van de Wet OB volgt de rechtbank niet. Het feit dat er toiletten en kleed- en doucheruimten aanwezig zijn en een sporter in uitzonderlijke gevallen een horecamedewerker kan aanspreken maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verhuur van de squash- of padelbanen meer inhoudt dan het passief ter beschikking stellen van een baan aan de sporter. Het feit dat de banen worden verhuurd aan personen die voornemens zijn om daar te gaan squashen of “padellen” (sporten), maakt het voorgaande niet anders.
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het subsidiaire standpunt van eiseres behoeft geen verdere behandeling.
Proceskosten
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Nu het bezwaar en beroep van eiseres in onderhavige zaak en in zaaknummer SGR 25/4427 zowel door verweerder als de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, aan beide belastingplichtigen rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van deze rechtsbijstandverlener zowel in bezwaar als beroep nagenoeg identiek kon zijn, is in beide fases sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Bpb.
19. De rechtbank stelt op grond van het Bpb de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van
€ 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb kent de rechtbank eiseres in onderhavige zaak de helft van dit bedrag toe (€ 1.600).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover deze betrekking heeft op de teruggaafbeschikking over de maand juni 2024;
- draagt verweerder op de teruggaafbeschikking over de maand juni 2024 vast te stellen op een bedrag van € 228;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.600;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29 Régie communale autonome du stade Luc Varenne
2.Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
3.Vgl. HvJ 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:29, r.o. 21 tot en met 24
4.HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34 Stockholm Lindöpark
5.HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 26
6.HvJ EG 18 januari 2001, ECLI:EU:C:2001:34, r.o. 28