ECLI:NL:RBDHA:2026:9479

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL24.24644
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:9 AwbArt. 2a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing MVV-aanvraag wegens niet-rechtmatig verblijf en niet-duurzaam middelenvereiste

Eiseres en haar minderjarige kind vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) aan voor verblijf bij referent, hun echtgenoot en vader, die sinds 2018 in Nederland verbleef op basis van een asielvergunning. Verweerder wees de aanvraag af omdat de verblijfsvergunning van referent was verlopen en hij niet langer als referent kon optreden. Daarnaast was de echtheid van de huwelijksakte niet aangetoond en voldeed referent niet aan het middelenvereiste vanwege onvoldoende duurzaam inkomen.

De rechtbank toetste het besluit ex tunc en oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat referent geen rechtmatig verblijf had op het moment van het bestreden besluit. Ook was het inkomen van referent niet duurzaam, aangezien hij voornamelijk op basis van nuluren- en uitzendcontracten werkte die op elk moment konden worden beëindigd. De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Hof van Justitie en concludeerde dat verweerder een juiste individuele belangenafweging had gemaakt, waarbij het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog.

Hoewel eiseres stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat zij en referent niet waren gehoord over de afwijzingsgrond dat referent niet als referent kon optreden, oordeelde de rechtbank dat dit gebrek niet tot benadeling had geleid en passeerde het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. De rechtbank kende eiseres een schadevergoeding toe van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 1.444 voor rekening van verweerder en € 556 voor de Staat. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet voldoen aan het middelenvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24644

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer 1] , eiseres

mede namens haar minderjarig kind
[minderjarige] [1] , V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de voor eiseres ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] ’ (referent) afgewezen.
Bij besluit van 16 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld, gevoegd met het beroep in de zaak van referent (NL.24.32932). Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen referent en [naam 2] , tolk.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1985 en heeft de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo. Zij en haar minderjarig kind beogen verblijf bij referent, hun gestelde echtgenoot en vader. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1992 en heeft ook de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo. Hij verblijft in Nederland sinds 2018 op grond van een verblijfsvergunning asiel. Referent heeft op 13 mei 2022 de thans voorliggende mvv-aanvragen ingediend voor eiseres en hun kind voor het uitoefenen van gezinsleven in Nederland.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning van referent niet langer geldig is en hij om die reden niet als referent kan fungeren. Daarnaast is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven omdat de echtheid van de huwelijksakte niet vaststaat, nu de akte niet is aangeboden bij Bureau Documenten ter onderzoek. Ook zijn er geen paspoorten overgelegd van eiseres en de minderjarige zoon en is niet op een andere wijze de identiteit van beiden aangetoond. Verder voldoet referent niet aan het middelenvereiste, met name omdat zijn inkomen niet duurzaam is. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden die reden geven om af te wijken van de beleidsregels (artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De afwijzing van de aanvraag is volgens verweerder bovendien niet in strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Verblijfsstatus referent
4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat [naam 1] niet als referent kan optreden, omdat zijn verblijfsvergunning is verlopen en wellicht zijn verblijfsrecht zal worden ingetrokken. Een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning (neergelegd in een voornemen) is geen wettelijke afwijzingsgrond.
4.2.
De rechtbank stelt vast [2] dat verweerder bij besluit van 22 mei 2018 aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft toegekend voor de periode van vijf jaar. Op 23 januari 2023 heeft referent een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft op 27 juni 2023 een voornemen uitgebracht tot intrekking van de asielvergunning van referent met terugwerkende kracht tot 22 mei 2018 en tot afwijzing van de aanvraag voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd. Op 16 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar mvv-aanvraag voor verblijf bij referent ongegrond verklaard. Bij besluit van 24 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag van referent voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen en de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van referent met terugwerkende kracht vanaf 22 mei 2018 ingetrokken.
4.3.
De rechtbank moet het bestreden besluit ex-tunc toetsen, dat wil zeggen dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het nemen van het besluit voordeden. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit op 16 mei 2024 naar de toenmalige stand van zaken terecht heeft geoordeeld dat referent geen referent kon zijn omdat hij geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vw. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Weliswaar was er destijds nog geen besluit genomen tot intrekking met terugwerkende kracht van de asielvergunning van referent, maar verweerder stelt terecht dat de verblijfsvergunning asiel van referent ten tijde van het bestreden besluit van 16 mei 2024 verlopen was en aan hem geen andere verblijfsvergunning was verleend. Hangende een besluit op zijn aanvraag voor een asielvergunning asiel voor onbepaalde tijd had referent procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw. Gelet op artikel 2a, eerste lid, van de Vw is dat echter onvoldoende om als referent ten behoeve van een vreemdeling te mogen optreden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling op de zitting dat verweerder in afwachting van het besluit op de aanvraag van referent van een asielvergunning voor onbepaalde tijd, de verblijfsvergunning asiel van referent voor bepaalde tijd had moeten verlengen om te voorkomen dat referent niet meer als referent zou kunnen optreden. Daargelaten dat zij hiervoor geen rechtsgrond ziet, is de rechtbank van oordeel dat dit niet van verweerder kon worden gevergd. Uit de stukken blijkt immers dat de mvv-aanvraag die referent heeft ingediend voor eiseres en haar kind voor verweerder aanleiding is geweest om de aan referent verleende asielvergunning te onderzoeken en dit onderzoek liep al toen de termijn van de asielvergunning van referent verstreek op 22 mei 2023.
4.4.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres onbevredigend is wanneer haar beroep op deze wijze wordt afgedaan, nu in het onder 4.2 genoemde besluit van 24 juli 2024 ambtshalve aan referent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend met terugwerkende kracht vanaf 9 oktober 2019 [3] en referent op grond daarvan weer voldoet aan de voorwaarde van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vw. De rechtbank zal daarom ten overvloede ook een deel van de (meer) subsidiaire afwijzingsgronden genoemd in het bestreden besluit toetsen (voor zover in geschil).
Middelenvereiste
5.1.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aan haar tegenwerpt dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet. Verweerder heeft ten onrechte niet kenbaar onderzocht of referent in de tussentijd wel heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.24b van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Verweerder heeft tevens artikel 3.24b van het VV te strikt uitgelegd en niet uitgelegd waarom er geen evenredigheidstoetsing heeft plaatsgevonden. Eiseres voert daarbij aan dat referent sinds mei 2022 wel voldoet aan het vereiste van artikel 3.74 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en dat hij weliswaar geen half jaar ononderbroken heeft gewerkt, maar wel in de periode van mei 2022 tot mei 2024 in totaal ruim 15 maanden fulltime heeft gewerkt. Daarbij doet eiseres een beroep op het arrest Chakroun (JV 2010/77) en Khachab (JV 2016/171).
5.2.
Niet in geschil is dat referent moet voldoen aan het middelenvereiste, nu hij niet onder één van de vrijstellingsgronden valt. Het middelenvereiste houdt in dat referent duurzaam en zelfstandig moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat het geschil in het bijzonder ziet op de vraag of de inkomsten van referent duurzaam van aard zijn, omdat verweerder enkel de hoogte van de inkomsten niet zou tegenwerpen.
5.3.1.
Referent heeft zijn middelen van bestaan als volgt toegelicht. Op 13 september 2021 is referent gestart bij [bedrijf 1] als oproepkracht op basis van een nulurencontract en per 13 mei 2022 is hij daar voor een periode van twaalf maanden op basis van een nulurencontract in dienst getreden als oproepkracht. Eiseres heeft salarisstroken overgelegd van werkzaamheden van referent voor [bedrijf 1] van september 2021 tot en met april 2022 en een salarisstrook van augustus 2022, om zijn werkelijke inkomsten te onderbouwen. Verder heeft eiseres nog twee loonstroken van referent overgelegd van september en oktober 2022 bij [bedrijf 2] , waar referent als oproepkracht heeft gewerkt. Voor de periode van november 2022 en december 2022 heeft referent loonstroken overgelegd van Startpeople, waar hij per 25 oktober 2022 als oproepkracht werkzaam was. Per 1 januari 2023 is referent een arbeidsovereenkomst (uitzendovereenkomst met vaste arbeidsduur en recht op loondoorbetaling) aangegaan met Startpeople op basis van een arbeidsduur van 132 uren per vier weken, voor de duur van de opdracht en ten hoogste 51 weken. Hiervan zijn loonstroken overgelegd van 8 maart 2023, 15 maart 2023 en 29 maart 2023. In de perioden van 16 februari 2023 tot en met 26 februari 2023, 14 maart 2023 tot en met 18 maart 2023, 20 maart 2023 tot en met 21 mei 2023 heeft referent eveneens een ziektewetuitkering ontvangen. Tot slot heeft referent een betaalspecificatie overgelegd van een ontvangen vakantietoeslag op een werkloosheidsuitkering, die zag op de maand november 2022. Volgens eiseres mag verweerder niet tegenwerpen dat referent een periode een beroep heeft gedaan op de Werkloosheidswet, omdat dit geen voorziening betreft die uit de openbare kas gefinancierd wordt. Dat geldt ook voor de periode dat referent een Ziektewetuitkering heeft ontvangen.
5.3.2.
Verweerder heeft op basis van informatie uit Suwinet vastgesteld dat referent in de periode van oktober 2019 tot en met juni 2022 een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit Suwinet dat referent heeft gewerkt voor Randstad Uitzendbureau in februari 2024 en maart 2024. De grondslag voor de uitzendovereenkomst was: “Fase A met uitzendbeding”, wat betekent dat de uitzendovereenkomst van referent in beginsel op elk moment naargelang de voorkeur van de inlener of het uitzendbureau beëindigd kan worden. Gelet hierop heeft verweerder geoordeeld dat deze uitzendovereenkomst niet duurzaam is. Daarnaast heeft referent in maart 2024 en april 2024 gewerkt voor [bedrijf 3] , eveneens op grond van een uitzendovereenkomst “Fase A met uitzendbeding”. Ook deze uitzendovereenkomst heeft verweerder om de hiervoor genoemde reden niet aangemerkt als duurzaam.
5.4.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat verzoeken om gezinshereniging gelet op artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn individueel moeten worden beoordeeld (zie het arrest van 4 maart 2010 inzake Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117 en het arrest van 9 juli 2015 inzake K. en A., ECLI:EU:C:2015:453). Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om bij de tenuitvoerlegging van de Gezinsherenigingsrichtlijn en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken (zie onder meer het arrest van 6 december 2012 inzake O. e.a., ECLI:EU:C:2012:776). Uit het arrest Khachab van het Hof van 21 april 2016, C-558/14 (ECLI:EU:C:2016:285) volgt dat verweerder bij zijn beoordeling of referent duurzaam beschikt over middelen van bestaan alle relevante omstandigheden moet betrekken. Bij deze beoordeling kunnen elementen als de kwalificaties van de gezinshereniger, de stabiliteit van de inkomsten ondanks een tijdelijk dienstverband en de situatie op de arbeidsmarkt een rol spelen. Naar aanleiding van het arrest Khachab heeft verweerder artikel 3.24b aan het VV toegevoegd.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomsten die referent heeft niet duurzaam zijn in de zin van artikel 3.75, eerste lid, Vb en artikel 3.24b VV, omdat deze inkomsten niet nog een jaar respectievelijk zes maanden beschikbaar zijn op het moment dat de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Uit de overgelegde documenten blijkt dat referent, vanaf september 2021 tot en met december 2022 af en aan werkzaamheden heeft verricht op basis van nulurencontracten waardoor referent niet voldoet aan de voorwaarde dat de middelen ten tijde van de aanvraag of de datum van de beschikking nog enige tijd beschikbaar moeten zijn. Ook het contract met Startpeople, ingaande 1 januari 2023, voldoet niet aan deze voorwaarde. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het weliswaar een jaarcontract betreft dat inmiddels een vaste omvang heeft van 132 uur per vier weken met recht op loondoorbetaling, maar dat het nog steeds een uitzendovereenkomst betreft die beëindigd kan worden op het moment dat de opdrachtgever het contract met Startpeople verbreekt. Referent heeft verder ook niet met loonstroken onderbouwd dat hij in deze gehele periode daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen van Startpeople. Verweerder heeft bovendien op goede gronden de Fase A-uitzendovereenkomsten met Randstad Uitzendbureau en [bedrijf 3] als niet duurzaam aangemerkt.
5.6.
Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat referent evenmin voldoet aan het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van de Vb. Niet is gebleken dat referent op het moment waarop de aanvraag is ingediend of de beschikking is gegeven een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst heeft verworven en dat de middelen nog beschikbaar zijn. Verweerder heeft in dit standpunt terecht betrokken dat referent in de periode van oktober 2019 tot en met juni 2022 een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder verder niet onderbouwd betwist.
5.7.
Ten aanzien van het beroep op de arresten Chakroun en Khachab overweegt de rechtbank dat uit deze arresten volgt dat verweerder een individuele beoordeling moet maken van de omstandigheden die zijn aangevoerd. Voorts is uit het arrest Khachab – kort gezegd – op te maken dat het middelenvereiste er toe dient het risico op een beroep op sociale bijstand te beperken en dat daarvoor niet alleen de vraag of er sprake is van voldoende inkomsten van belang is, maar ook de vraag of de inkomsten stabiel en regelmatig zijn. Verweerder heeft de in de arresten Chakroun en Khachab bedoelde beoordeling gemaakt en daarbij ook de evenredigheid betrokken. Verweerder heeft immers beoordeeld of sprake is van stabiele en regelmatige inkomsten en zich op het standpunt gesteld dat indien referent enkel qua hoogte van de inkomsten niet aan het middelenvereiste zou voldoen, dit niet zou worden tegengeworpen. Nu niet in geschil is dat referent ten tijde van de aanvraag in het bezit was van een nulurencontract heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het inkomen van referent niet als voldoende stabiel kan worden gekwalificeerd. Eiseres heeft verder niet onderbouwd dat referent na de aanvraagdatum inkomsten heeft ontvangen uit een voldoende stabiele arbeidsovereenkomst. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat referent en zij geen beroep hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand.
5.8.
Op de stelling dat verweerder artikel 3.24b van het VV te strikt heeft uitgelegd door uit te gaan van een referteperiode van een jaar, hoeft gezien het voorgaande niet te worden ingegaan.
5.9.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6.1.
Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd met artikel 8 EVRM Pro tot stand is gekomen. Hierbij vindt eiseres van belang dat referent wel aan het middelenvereisten voldoet en aan de overige nationale voorwaarden voor gezinshereniging. Verweerder heeft geen of onvoldoende rekening gehouden met het feit dat referent nog steeds als vluchteling geldt en dat er zodoende een objectieve belemmering is om het recht op gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. Verder heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat referent en zijn gezin niet zonder meer veilig zijn in Oeganda, zoals blijkt uit de overgelegde politieverklaring over de mishandelingen van eiseres en haar gezin.
6.2.
Op 27 maart 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat verweerder bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM geen belangenafweging hoeft te maken als er geen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de belangenafweging daarom in beginsel niet gemaakt hoefde te worden. Nu verweerder de belangenafweging wel heeft gemaakt, zal de rechtbank deze ten overvloede wel toetsen.
6.3.
Uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer t. Nederland van 31 januari 2006 (ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599) en de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3323), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat verweerder – anders dan eiseres stelt – alle van betekenis zijnde relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken.
6.4.1.
Verweerder heeft terecht overwogen dat in geval van een eerste toelating en waarbij niet aan de voorwaarden van toelating is voldaan – zoals het geval is bij eiseres – het belang van de Nederlandse overheid in beginsel zwaarder weegt. Dat is alleen anders als er sprake is van zeer bijzondere feiten en omstandigheden. Eiseres heeft deze feiten en omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.
6.4.2.
Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat er weliswaar sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven uit te oefenen in de Democratische Republiek Congo, maar dat niet is gebleken dat eiseres en referent hun familieleven niet in Oeganda kunnen uitoefenen. Referent is immers nog in 2022 naar Oeganda gereisd om met eiseres te trouwen. De overgelegde politieverklaringen over de mishandeling van eiseres en haar kinderen maken dat niet anders. De rechtbank kan de toelichting van verweerder ter zitting, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband is tussen de mishandelingen en het asielmotief van referent, volgen.
6.5.
Mede gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bij de afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het persoonlijk belang van eiseres bij de uitoefening van haar familieleven hier te lande, aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toekent. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Hoorplicht
7.1.
Eiseres voert aan dat verweerder haar en/of referent ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit. Referent had gehoord willen worden om een verklaring af te leggen om eventuele eerder ontstane onduidelijkheden weg te nemen over de familierelatie tussen eiseres en referent. Ook had referent willen kunnen reageren op de afwijzingsgrond dat referent niet als referent kan fungeren. Eiseres wijst in dit verband ook op artikel 7:9 van Pro de Awb.
7.2.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een andersluidend besluit kan leiden. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. In artikel 7:9 van Pro de Awb is bepaald dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.
7.3.
De rechtbank is het met eiseres eens dat het onzorgvuldig is haar en/of referent in bezwaar niet te horen dan wel anderszins in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de in het bestreden besluit als primaire afwijzingsgrond gehanteerde omstandigheid dat referent niet als referent kan fungeren. Daardoor is sprake van een gebrek in de besluitvorming.
7.4.
De vraag rijst welke gevolgen aan deze gebrekkige besluitvorming moeten worden verbonden. Eiseres heeft in beroep haar stelling dat een hoorzitting tot een geheel andere uitkomst zou hebben geleid, niet toegelicht of geconcretiseerd. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij op een hoorzitting had kunnen wijzen op het belang van een spoedige verlening van de 8 EVRM-vergunning aan referent. De rechtbank overweegt dat referent geen aanvraag op grond van artikel 8 van Pro het EVRM voor de uitoefening van familie- en gezinsleven met zijn in Nederland wonende zoon heeft ingediend, maar dat verweerder die familierelatie ambtshalve heeft betrokken in zijn beoordeling van de intrekking van de asielvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag van referent voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd. De besluitvorming hierover liep nog ten tijde van het bestreden besluit in de mvv-procedure van eiseres [4] . Niet valt in te zien dat een hoorzitting in de procedure over de mvv-aanvraag van eiseres ertoe had kunnen leiden dat eerder zou zijn beslist in de procedure van referent en dat al eerder een 8 EVRM-vergunning aan referent zou zijn verleend. De rechtbank acht het gelet op dit alles aannemelijk dat eiseres door het niet horen over de nieuwe afwijzingsgrond niet is benadeeld en zal het gebrek dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Nu de afwijzingsgrond dat referent niet als referent kan optreden – zoals hiervoor is overwogen – het bestreden besluit al kan dragen, kan de omstandigheid dat eiseres ook over de andere afwijzingsgronden niet is gehoord in bezwaar, niet tot een ander oordeel leiden.
Overschrijding redelijke termijn
8.1.
Eiseres voert tot slot aan dat zij recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668) is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in beginsel in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar), behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven om overschrijding van deze termijn gerechtvaardigd te achten. Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
8.3.
Verweerder heeft het door eiseres gemaakte bezwaar ontvangen op 6 oktober 2022. Twee jaar daarna, op 6 oktober 2024, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn met ruim achttien maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Eiseres heeft daarom recht op € 2.000,- schadevergoeding.
8.4.
De behandeling van het bezwaar heeft (iets meer dan) negentien maanden in beslag genomen. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor het behandelen van het bezwaar met (iets meer dan) dertien maanden overschreden. Daarom wordt de overschrijding van de redelijke termijn voor 13/18 deel aan verweerder toegerekend. Het overige 5/18 deel wordt aan de rechtbank toegerekend. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van afgerond (13/18 van € 2.000,- =) € 1.444,- aan eiseres en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van afgerond (5/18 van € 2.000,- =) € 556,-.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond.
10. De rechtbank zal eiseres wel een vergoeding toekennen voor de door haar gemaakte proceskosten. Voor het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten betalen, nu de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,00 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 omdat de kostenvergoeding alleen wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
11. Verder geeft de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.868,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
12. Ook moet verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.444,00;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 556,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
BIJLAGE
Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn)
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, luidt als volgt.
Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.
Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
Artikel 2a eerste lid, van de Vw luidt als volgt.
Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling in Nederland, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, kan in ieder geval als referent optreden:
een Nederlander, die in Nederland verblijft of met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;
een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onder a tot en met e of l, of die voor verblijf langer dan 90 dagen in Nederland mag verblijven en met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;
een onderneming of rechtspersoon, dan wel een vestiging daarvan, die is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van Pro de Handelsregisterwet 2007
Artikel 2q, eerste lid van de Vw luidt als volgt.
Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2p, eerste lid, onverminderd het tweede lid van dat artikel.
Artikel 2p, eerste lid, van de Vw luidt als volgt.
Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw luidt als volgt.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan Pro worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
Artikel 3.13, eerste lid, van het Vb luidt als volgt.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22a genoemde voorwaarden.
Artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder b van het Vb luidt als volgt.
De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 3.14 bedoelde gezinslid van een vreemdeling van 21 jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, dat niet-tijdelijk is in de zin van artikel 3.5.
Artikel 3.22, eerste lid, van het Vb luidt als volgt.
De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a.
Artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb luidt als volgt.
De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende, indien de som van het loon, bedoeld in artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van Pro die wet.
Artikel 3.75, eerste lid, van het Vb luidt als volgt.
De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Artikel 3.75, derde lid, van het Vb luidt als volgt.
In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst.
Artikel 3.75, vierde lid, van het Vb luidt als volgt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid van middelen van bestaan.
Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV)
Artikel 3.24b van het VV luidt als volgt.
In aanvulling op artikel 3.75, eerste lid, van het Besluit, zijn in het kader van verblijf als familie- of gezinslid middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog zes maanden beschikbaar zijn.
Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)
Paragraaf B1/4.3.2 van de Vc, voor zover hier relevant, luidt als volgt.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw juncto artikel 26, eerste lid, Vw moet de vreemdeling op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND op die aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:
  • de middelen van bestaan moeten zelfstandig zijn;
  • de middelen van bestaan moeten duurzaam zijn; en
  • de middelen van bestaan moeten voldoende hoog zijn.
[…]
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Paragraaf B7/3.8.3 van de Vc luidt als volgt.
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.
Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.In de stukken ook aangeduid als [naam 3], [naam 4] of [naam 5].
2.Op basis van het dossier in deze zaak en het dossier in de gevoegd behandelde beroepszaak van referent [naam 1] (NL24.32932).
3.Dit op basis van de omstandigheid dat er een kind van referent in Nederland woont waarmee referent familie- of gezinsleven uitoefent dat valt onder artikel 8 van Pro het EVRM.
4.Uit de stukken in de beroepszaak van [naam 1] blijkt dat op 7 februari 2024 een intrekkingsgehoor met referent heeft plaatsgevonden (waarin ook de relatie met zijn in Nederland wonende zoon aan de orde is gekomen). In dit gehoor heeft referent gezegd dat hij nog wil proberen originele stukken over te leggen. Op 19 maart 2024 zijn door referent originele documenten aangeboden en het documentonderzoek liep nog in juni 2024.