Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.5732 en NL26.5733
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag DRC

Eiser, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die zijn afgewezen of niet in behandeling zijn genomen. De huidige opvolgende aanvraag is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe relevante elementen heeft aangevoerd die het eerdere besluit kunnen beïnvloeden.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring van eiser over zijn broer die bij een gewapende groepering zou zitten, niet kan afdoen aan eerdere besluiten, mede omdat eerdere verklaringen van eiser hierover tegenstrijdig zijn. Verweerder heeft terecht gewezen op het ontbreken van concrete aanwijzingen en het feit dat de aanvraag mogelijk is ingediend om uitzetting te frustreren.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het terugkeerbesluit en inreisverbod rechtsgeldig zijn. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 15 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.5732 en NL26.5733
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-onvankelijk verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Eerdere procedures
2. Eiser heeft op 13 maart 2024 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van
12 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk
verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek. Op 24 juni 2024 is eiser
met onbekende bestemming vertrokken. Eiser is op 17 december 2024 in bewaring gesteld en op 20 december 2024 overgedragen aan Frankrijk. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar Nederland.
2.1.
Op 21 februari 2025 heeft eiser in Nederland een nieuwe asielaanvraag ingediend. Op 4 maart 2025 is eiser opnieuw met onbekende bestemming vertrokken. Bij besluit van 10 april 2025 is eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld en heeft eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar gekregen.
2.2.
Eiser heeft op 22 mei 2025 een derde aanvraag om verlening van een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden
besluit van 9 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk
ongegrond. Eiser heeft op 16 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2025 is dit besluit onherroepelijk geworden.
Huidige aanvraag
3. Op 22 januari 2026 heeft eiser de huidige opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo (DRC) en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Eiser heeft verklaard dat zijn broer is aangesloten bij de [groepering] en heeft ter ondersteuning hiervan een foto overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevinden heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag. [1] Eiser heeft namelijk in een eerdere procedure verklaard dat zijn broer is overleden, de door eiser overgelegde foto toont geen familieband aan en eiser heeft geen concrete aanwijzingen aangevoerd dat zijn broer bij [groepering] zou zitten. Hierdoor kan worden uitgesloten dat wat eiser heeft aangevoerd op voorhand kan afdoen aan de overwegingen van het eerdere besluit. Tot slot vindt verweerder dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting te vertragen of te voorkomen, omdat eiser zijn asielaanvraag pas heeft aangevraagd toen hij in bewaring werd gesteld met als doel hem uit de zetten naar de DRC.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Allereerst heeft verweerder het wettelijke toetsingskader van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) onjuist toegepast. De omstandigheid dat eisers broer zich heeft aangesloten bij [groepering] kan risico verhogend zijn en daarmee relevant voor de individuele beoordeling, omdat bekend is dat personen die worden geassocieerd met rebellenbewegingen doelwit kunnen worden van de autoriteiten. Ook loopt verweerder vooruit op een inhoudelijke beoordeling door op voorhand te oordelen dat is uitgesloten dat dit element kan afdoen aan een eerder besluit. Verder is het besluit onvoldoende gemotiveerd door te stellen dat eiser zijn broer in het leven zou hebben geroepen, omdat dit impliceert dat er sprake is van bewuste misleiding. Ook heeft verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan het feit dat eiser zijn informatie via derden heeft verkregen en slechts één foto heeft overgelegd, omdat er geen vereiste is voor volledig of sluitend bewijs. Bovendien heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat de aanvraag enkel zou zijn ingediend om uitzetting te frustreren, omdat het enkele feit dat de aanvraag is ingediend tijdens bewaring niet maakt dat er sprake is van misbruik van recht. Tot slot heeft verweerder ten onrechte nagelaten ambtshalve te toetsen of er bij terugkeer sprake kan zijn van schending van artikel 3 EVRM Pro en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het terugkeerbesluit en inreisverbod worden gehandhaafd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ontvankelijkheid
7. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag beoordeelt verweerder of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag. [2] Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eisers aanvraag niet-ontvankelijk is omdat hij geen nieuwe relevante elementen of bevindingen heeft aangevoerd die kunnen afdoen aan het besluit van 9 juni 2025. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat zijn broer zich zou hebben aangesloten bij de [groepering] en de door eiser overgelegde foto geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn, nu deze niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Verweerder heeft eiser terecht tegengeworpen dat zijn verklaring over zijn broer tegenstrijdig is met de verklaringen die hij in een eerdere procedure – die in rechte vaststaat – heeft afgelegd. Eiser heeft namelijk eerder verklaard dat zijn twee broers allebei zijn overleden. [3] Eisers stelling dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd door te stellen dat eiser zijn broer in het leven zou hebben geroepen, omdat dit impliceert dat er sprake is van bewuste misleiding, volgt de rechtbank niet. Uit het bestreden besluit volgt namelijk niet dat eiser is tegengeworpen dat hij verweerder zou hebben misleid omtrent zijn broer. Daarnaast heeft verweerder er op mogen wijzen dat uit de door eiser overgelegde foto de familieband tussen eiser en zijn broer niet valt af te leiden. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser alleen via anderen heeft gehoord dat zijn broer bij [groepering] zou zitten. Eiser heeft namelijk geen concrete aanwijzingen aangevoerd waaruit zou blijken dat zijn broer bij [groepering] zou zitten. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het feit dat eiser zijn informatie via derden heeft verkregen en één foto heeft overgelegd, omdat er geen vereiste is voor volledig of sluitend bewijs, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank overweegt namelijk dat dit een herhaling van de zienswijze is. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, wat wel op zijn weg had gelegen. Eisers stelling dat het voor hem risico verhogend kan zijn dat zijn broer zich heeft aangesloten bij [groepering], volgt de rechtbank tot slot evenmin. Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiser hiermee bedoelt dan wel wil zeggen, nu verweerder al niet volgt dat de broer van eiser bij [groepering] zou zitten.
7.2.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te toetsen of er bij terugkeer sprake kan zijn van een schending van artikel 3 EVRM Pro [4] , oordeelt de rechtbank dat verweerder het juiste toetsingskader – zoals deze is vastgesteld door de Afdeling – heeft gebruikt. Verweerder heeft er daarnaast op zitting terecht op gewezen dat verweerder bij een opvolgende aanvraag niet toekomt aan een ambtshalve beoordeling van artikel 3 EVRM Pro. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom dit toetsingskader niet juist zou zijn. Eisers stelling dat verweerder vooruit loopt op een inhoudelijke beoordeling, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, evenmin.
7.3.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag heeft ingediend om zijn uitzetting te frustreren, nu hij deze heeft ingediend op het moment dat hij in bewaring werd gezet om zijn uitzetting naar de DRC te verzekeren. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser al meerdere keren asiel heeft aangevraagd. Deze aanvragen zijn om uiteenlopende redenen afgewezen of buiten behandeling gesteld.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. In het besluit van 21 februari 2025 zijn een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser opgelegd. Nu dit besluit in rechte vaststaat en het terugkeerbesluit nog steeds geldig is, kan eiser hier in deze procedure niet meer tegen opkomen. Aan een bespreking van wat eiser hierover heeft aangevoerd, komt de rechtbank daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699.
3.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 15. Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 10.
4.Europees Verdrag van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.