Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.18674 en NL26.20108
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59a VwArt. 62 lid 2 onder a VwArt. 66a lid 1 onder a VwArt. 66a lid 8 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring ongegrond verklaard

Eiser, een minderjarige met de Algerijnse nationaliteit zonder rechtmatig verblijf in Nederland of de EU, kreeg op 18 maart 2026 een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring opgelegd. Hij stelde dat het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd was en dat het inreisverbod disproportioneel was gezien zijn leeftijd en het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor het terugkeerbesluit, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist zijn vastgesteld in een eerdere uitspraak van 6 maart 2026. Ook het ontbreken van nieuwe feiten leidde tot bevestiging van het eerdere oordeel dat het familie- en gezinsleven en het non-refoulement-beginsel de verwijdering niet in de weg staan.

Het inreisverbod werd als voldoende gemotiveerd en passend beoordeeld. De maatregel van bewaring werd eveneens gegrond verklaard op basis van dezelfde gronden, waarbij het risico op onttrekking aan toezicht en het belemmeren van de uitzettingsprocedure centraal stonden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van bewaring zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18674 en NL26.20108

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het
terugkeerbesluit is geregistreerd onder nummer NL26.20108 en het beroep tegen de
maatregel van bewaring onder nummer NL26.18674. Het beroep tegen de maatregel van
bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van
schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Over bestreden besluit 1 (terugkeerbesluit en inreisverbod)
2. Niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland of elders in de Europese Unie. Op 18 maart 2026 heeft verweerder het onderhavige terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiser. Eiser meent dat dit besluit onvoldoende daadkrachtig is gemotiveerd. Ook is het inreisverbod voor de duur van twee jaar onevenredig, gelet op eisers jonge leeftijd en het feit dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van twee jaar noodzakelijk is in de situatie van eiser.
3. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit vermeld dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat in verband daarmee een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder heeft daartoe als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte grond 4a. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat het disproportioneel is om dit aan hem tegen te werpen. Het is een feit van algemene bekendheid dat vluchtelingen veelal niet beschikken over geldige reis- en identiteitsdocumenten. Hij is op minderjarige leeftijd vertrokken uit Algerije en beschikte niet over identificerende documenten. Met betrekking tot zware grond 3b betoogt eiser dat van daadwerkelijke onttrekking aan het toezicht geen sprake is geweest. Hij heeft consequent verklaard dat hij naar Nederland is gekomen met het doel om een asielaanvraag in te dienen. Hij zou daarheen worden begeleid door een vriend. Er zijn onvoldoende concrete en objectieve feiten aanwezig om te concluderen dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken.
5. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 maart 2026 [4] , in het kader van het beroep gericht tegen de eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring [5] , is reeds geoordeeld dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en dat verweerder terecht deze zware gronden heeft tegengeworpen aan eiser. Daarbij heeft de rechtbank ook vastgesteld dat de zware gronden 3a, 3b, en de niet bestreden lichte gronden de maatregel van bewaring al kunnen dragen. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Gelet hierop is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Eiser is daarom terecht een terugkeer besluit opgelegd waarbij hem een vertrektermijn is onthouden. [6]
6. In de hierboven genoemde uitspraak van 6 maart 2026 is ook geoordeeld dat het de rechtbank niet is gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering. Ter zitting is door eiser bevestigd dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden sinds die uitspraak van 6 maart 2026. De rechtbank ziet daarom ook op dit punt geen aanleiding om anders te oordelen.
7. Nu verweerder een vertrektermijn aan eiser heeft kunnen onthouden, is hij gehouden een inreisverbod uit te vaardigen. [7] Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. [8] Het inreisverbod van twee jaren is voldoende gemotiveerd en op juiste gronden opgelegd.
Over bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring)
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft hieraan dezelfde zware en lichte gronden ten grondslag gelegd als genoemd in het terugkeerbesluit.
9. Voor zover eiser heeft verzocht de beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit in de bewaringsprocedure als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat deze evenmin leiden tot een geslaagd beroep tegen de maatregel van bewaring. Gelet op het ontbreken van rechtmatig verblijf heeft verweerder de maatregel terecht gebaseerd op artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw. Voor de beoordeling van de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden verwijst de rechtbank naar wat zij onder 5 heeft overwogen. Aangezien de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de maatregel van bewaring zelfstandig kunnen dragen, hoeven de overige gronden geen verdere bespreking.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring
op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Op grond van artikel 59a van de Vw.
6.Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw.
7.Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.
8.Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw.