Eiser, een minderjarige met de Algerijnse nationaliteit zonder rechtmatig verblijf in Nederland of de EU, kreeg op 18 maart 2026 een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring opgelegd. Hij stelde dat het terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd was en dat het inreisverbod disproportioneel was gezien zijn leeftijd en het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor het terugkeerbesluit, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist zijn vastgesteld in een eerdere uitspraak van 6 maart 2026. Ook het ontbreken van nieuwe feiten leidde tot bevestiging van het eerdere oordeel dat het familie- en gezinsleven en het non-refoulement-beginsel de verwijdering niet in de weg staan.
Het inreisverbod werd als voldoende gemotiveerd en passend beoordeeld. De maatregel van bewaring werd eveneens gegrond verklaard op basis van dezelfde gronden, waarbij het risico op onttrekking aan toezicht en het belemmeren van de uitzettingsprocedure centraal stonden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.