Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/09/703350 / KG RK 26-647
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in strafzaak wegens vermeende partijdigheid

Op 13 april 2026 heeft de verdachte tijdens een zitting een mondeling wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de strafzaken tegen hem behandelt. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid omdat de rechter zijn verzoek tot aanhouding van de zaak had afgewezen.

De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij gegronde vrees voor rechterlijke partijdigheid, wat niet het geval is bij een procedurele beslissing zoals het afwijzen van een aanhoudingsverzoek. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel en de beoordeling van de juistheid van de beslissing behoort toe aan de behandelende rechter in de hoofdzaak.

Gezien het ontbreken van andere feiten die wijzen op partijdigheid, wees de wrakingskamer het verzoek af. Er was geen reden voor een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de strafzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/28
zaak- /rekestnummer: C/09/703350 / KG RK 26-647
Beslissing van 20 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
bijgestaan door mr. H. Oldenhof, advocaat te Den Haag,
strekkende tot de wraking van
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.Het wrakingsverzoek

1.1.
Verzoeker heeft op 13 april 2026 tijdens de zitting waarop de strafzaken tegen hem werden behandeld een mondeling wrakingsverzoek gedaan.
1.2.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de strafzaken met parketnummers 09/009742-26, 09/015678-26 en 09/062627-26 tegen verzoeker als verdachte (hierna gezamenlijk: de hoofdzaak).
1.3.
Verzoeker heeft – voor zover van belang – blijkens het proces-verbaal van wraking aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd:
“Ik vind u partijdig. Ik wil aangifte doen tegen die politieagenten bij de Rijksrecherche en ik wil daarom dat de zaken worden aangehouden. Ik word steeds door de politieagenten in elkaar geslagen. Ze hebben 7 keer op mijn deur geslagen. Ik wraak u en ik ga niets meer zeggen. U wil de zaak niet aanhouden, dus dan zijn wij klaar.”

2.De beoordeling

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
2.2.
Naar de wrakingskamer begrijpt is verzoeker van mening dat de rechter jegens hem partijdig is, omdat de rechter het verzoek van verzoeker om de hoofdzaak aan te houden heeft afgewezen.
2.3.
Een beslissing om een aanhoudingsverzoek toe of af te wijzen is een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Gelet hierop en op het ontbreken van andere feiten of omstandigheden waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
2.4.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3.De beslissing

De wrakingskamer
3.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
3.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
3.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
  • de verzoeker p/a zijn advocaat mr. H. Oldenhof;
  • de officier van justitie mr. J. Vroegindeweij;
  • de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.