Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 608
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 22j lid 2 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen BPM-heffing bij invoering WLTP/NEDC2 testmethode ongegrond verklaard

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) die zij op aangifte heeft voldaan voor een aantal auto’s. Zij stelt dat de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode leidt tot een hogere CO2-uitstoot en daarmee tot een hogere BPM-heffing, wat volgens haar in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. Verweerder heeft de bezwaren deels gegrond verklaard en deels ongegrond, waarna eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hogere CO2-uitstoot uitsluitend het gevolg is van de meetmethode en dat zij geen referentievoertuigen heeft aangeleverd om het verschil te onderbouwen. De beroepen worden daarom inhoudelijk ongegrond verklaard, behalve voor enkele bezwaren die ten onrechte niet-ontvankelijk waren verklaard.

Daarnaast is vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure ruim 6 jaar heeft geduurd, wat de redelijke termijn aanzienlijk overschrijdt. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van in totaal €4.500. Tevens worden de proceskosten van eiseres aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Beroepen tegen BPM-heffing ongegrond behalve ontvankelijkheid, immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/608 e.v. (zie bijlage)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] BV, gevestigd te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangiften voldane Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2023 de op aangifte verschuldigde BPM ten aanzien van een aantal auto’s gehandhaafd en verminderd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026.
Eiseres en gemachtigde zijn met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

Overwegingen

Feiten
1. Door eiseres zijn de aangiften BPM ingediend voor de auto’s als vermeld in de bijlage. Tegen de op aangifte voldane BPM heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2. Nadat eiseres op 21 januari 2020 is gehoord, zijn enkele bezwaren bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard in verband met een leeftijd-correctie en zijn de overige bezwaren ongegrond verklaard. Een aantal bezwaarschriften heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van 6 weken; verweerder heeft deze bezwaren vervolgens ambtshalve beoordeeld.

Geschil3. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM en meer in het bijzonder is het volgende in geschil:

- Hebben auto’s door de invoering van WLTP/NEDC2 testmethode een hogere
CO2-uitstoot gekregen?
- Worden WLTP/NEDC2 geteste auto’s daardoor zwaarder belast?
- Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEU Pro, omdat referentievoertuigen
die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is
vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de
heffing worden betrokken?
- ALS WLTP/NEDC2 geteste auto’s tot een hoger bedrag in de heffing van bpm
worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of
rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt
heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2 niet tot een hogere
belastingdruk mag leiden?
4. Eiseres stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van BPM. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU.
5. Verweerder heeft aangevoerd dat de bewijslast dat bij gelijksoortige auto’s het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een andere meetmethode ligt bij eiseres. Het is daarbij onvoldoende om in algemene zin te stellen dat de CO2-uitstoot hoger is bij auto’s die met de WLTP-methode zijn getest dan wanneer die met de NEDC-
methode zijn getest. Voor elke auto dient aannemelijk gemaakt te worden dat dit
het geval is. Volgens verweerder heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt.
Beoordeling van het geschil
Voorafgaand
6. De bezwaarschriften die zijn ingediend op 13 februari 2020 met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 3 januari 2020 en met zaaknummer SGR 24/643 waarvan de BPM op aangifte is voldaan op 21 januari 2020, zijn ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk verklaard aangezien binnen de termijn van zes weken, in de zin van artikel 22j, lid 2 AWR bezwaar is gemaakt, zodat de beroepen met betrekking tot deze zaken in zoverre gegrond zijn. De rechtbank zal de zaken niet terugwijzen naar verweerder, aangezien eiseres niet in haar procesbelangen wordt geschaad indien de rechtbank deze zaken op gelijke wijze afdoet met de overige zaken.
7. Eiseres heeft gewezen op onderzoeken verricht door JATO, Bovag, KPMG en op een onderzoek door het kantoor van haar gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen te veel BPM is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken en hetgeen overigens door eiser is aangevoerd dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld.
8. Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd [1] .
9. Nu eiseres geen referentievoertuigen heeft aangeleverd, waarbij sprake is van gelijksoortige voertuigen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het verschil in CO2-uitstoot uitsluitend wordt veroorzaakt door een verschil in meetmethode. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.
Verzoek om immateriële schadevergoeding (ISV)
10. Eiseres heeft in haar beroepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar toekomt aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
11. De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen in dit verband aan als samenhangende zaken nu zij gezamenlijk behandeld zijn en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. [2] Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen ontvangen op 16 december 2019 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 14 december 2023. De rechtbank doet op 9 april 2026 uitspraak, waarmee 6 jaar en 4 maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 4 jaar en 4 maanden. Eiseres heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.500 (9 maal € 500). De termijnoverschrijding dient voor € 3.635 (42/52e deel) aan de bezwaarfase worden toegerekend en € 865 aan de beroepsfase.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 en SGR 24/643 gegrond te worden verklaard ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar en voor het overige ongegrond, en de overige beroepen zijn ongegrond. Voorts wijst de rechtbank het verzoek om een immateriële schadevergoeding toe.
Proceskosten
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.399 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24/634 t/m SGR 24/637 en SGR 24/643 gegrond ten aanzien van de ontvankelijkheid in bezwaar en voor het overige ongegrond;
  • verklaart de overige beroepen ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.635;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 865;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.399;
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.
2.HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.
3.Griffierecht voldaan in zaaknummer SGR 24/608