Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
09/339597-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs medeplegen en uitlokken ontploffingen

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van drie ontploffingen in juni 2024 nabij verschillende slijterijen en woningen. De officier van justitie vorderde negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen en uitlokken van deze ontploffingen. De verdediging betoogde vrijspraak wegens gebrek aan overtuigend bewijs en stelde dat verdachte op sommige momenten elders verbleef.

Tijdens de terechtzitting werd onder meer de verklaring van een medeverdachte besproken, die de verdachte als opdrachtgever aanwees. Deze verklaring vertoonde inconsistenties en werd mede vanwege een psychogeriatrische aandoening van de medeverdachte niet volledig betrouwbaar geacht. Telefonische gegevens toonden wel contactmomenten, maar de inhoud daarvan kon niet worden vastgesteld en waren onvoldoende concreet om betrokkenheid vast te stellen.

De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte betrokken was bij de ontploffingen. Daarom sprak zij verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte werd vrijgesproken. Tevens werd de teruggave van inbeslaggenomen geld aan verdachte gelast.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij de ontploffingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/339597-24
Datum uitspraak: 16 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M. Breukink naar voren is gebracht.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De advocaat van de benadeelde partij, mr. M.G. Cantarella, was ter terechtzitting aanwezig.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort samengevat – het volgende ten laste gelegd:
1. primair het medeplegen van het op 10 juni 2024 teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 1] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair het in de periode 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 uitlokken van het in vereniging teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 1] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
2. primair het medeplegen van het op 12 juni 2024 teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
subsidiair het in de periode 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 uitlokken van het in vereniging teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 2] , [adres 3] en/of [adres 4] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
3. primair het medeplegen van het op 13 juni 2024 teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 1] en/of [adres 5] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
subsidiair het in de periode 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 uitlokken van het in vereniging teweegbrengen van een ontploffing aan het [adres 1] en/of [adres 5] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte primair vrijspraak van alle drie de ten laste gelegde feiten bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, nu de verdachte ten tijde van de ontploffingen in Arnhem was en er geen link gelegd kan worden tussen de verdachte en deze ontploffingen.
3.3.
Vrijspraak
Inleiding
Op 10 juni 2024 omstreeks 3.00 uur vond een explosie plaats bij slijterij [bedrijfsnaam 1] aan het [adres 1] . Op 12 juni 2024 omstreeks 4.10 uur vond wederom een ontploffing plaats, ditmaal bij Slijterij [bedrijfsnaam 2] aan het [adres 2] / [adres 3] . Ten tijde van deze ontploffing lagen in een woning boven de slijterij aan het [adres 4] twee personen te slapen, te weten [naam 1] en haar dochter. Vervolgens heeft op 13 juni 2024 omstreeks 5.15 uur nogmaals een ontploffing plaatsgevonden bij de woning gelegen boven slijterij [bedrijfsnaam 1] aan het [adres 5] . Op het moment van de ontploffing lagen de twee bewoners, te weten [naam 2] en [naam 3] , in de woning te slapen.
Naar aanleiding van het opsporingsonderzoek werd [verdachte 2] (hierna: [verdachte 2] ) aangemerkt als verdachte voor de drie ontploffingen. Op 19 maart 2025 is [verdachte 2] veroordeeld voor alle drie de ontploffingen, waarbij een gevangenisstraf van zeven jaren is opgelegd.
[verdachte 2] heeft tijdens zijn politieverhoor en zijn terechtzitting verklaard dat hij de ontploffingen op 10 en 13 juni 2024 heeft gepleegd in opdracht van ‘de kleine’ om van zijn schulden af te komen. Uit onderzoek van de politie naar de identiteit van ‘de kleine’ kwam de verdachte naar voren. Bij het tonen van een foto van de verdachte heeft [verdachte 2] bevestigd dat dit de kleine man is voor wie hij de ontploffingen moest laten plaatsvinden.
Vervolgens heeft onderzoek naar de historische verkeersgegevens van [verdachte 2] uitgewezen dat [verdachte 2] op 12 juni en 13 juni 2024 rondom het tijdstip van het plegen van de ontploffingen contact heeft gehad met het contact ‘ [verdachte 1] ’ met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Bovendien heeft dit telefoonnummer op 12 en 13 juni 2024 rondom de tijdstippen van het plegen van de brandstichtingen aangestraald bij Cell-ID’s in de buurt van de plaatsen delict. De politie schrijft dit telefoonnummer toe aan de verdachte. De verdachte heeft ontkend dat dit zijn telefoonnummer is.
Daarnaast is ook onderzoek gedaan naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat ten tijde van de ten laste gelegde periode in gebruik was bij de verdachte. Alleen op 13 juni 2024 bevond de telefoon die gebruik maakte van dit nummer zich ten tijde van de brandstichting in Den Haag.
De verdachte heeft betrokkenheid bij de ontploffingen ontkend.
Betrokkenheid van de verdachte bij de ontploffingen
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande onvoldoende is om te komen tot het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte als medepleger of als uitlokker bij de brandstichtingen betrokken is geweest.
Allereerst kunnen er naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van [verdachte 2] kanttekeningen geplaatst worden. [verdachte 2] heeft niet consistent verklaard over de brandstichtingen. Zo heeft [verdachte 2] aanvankelijk verklaard dat de opdrachtgever voor de explosies hem op 10 juni 2024 niet heeft gebracht naar de betrokken locatie, maar ter zitting van de rechtbank heeft [verdachte 2] verklaard dat dat wel het geval is geweest. Ook is zijn verklaring over de rol van de verdachte weinig specifiek. Verder blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van 19 maart 2025 dat [verdachte 2] lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, hetgeen meegewogen moet worden in de beoordeling van zijn verklaring. De rechtbank kan daarom niet zonder meer afgaan op de verklaring die [verdachte 2] heeft afgelegd. De verklaring van [verdachte 2] vindt bovendien geen steun in andere bewijsmiddelen. Zo zou [verdachte 2] op 10 juni 2024 na de brandstichting met ‘de kleine’ gebeld hebben, maar blijkens de historische verkeersgegevens is er toen geen contact geweest met de telefoonnummers [telefoonnummer 1] of [telefoonnummer 2] .
Met betrekking tot de verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] merkt de rechtbank op dat – zelfs als het telefoonnummer aan de verdachte gekoppeld zou kunnen worden – de gepleegde telefoongesprekken met [verdachte 2] rondom de tijdstippen van de brandstichtingen op 12 en 13 juni 2024 weliswaar opmerkelijk zijn, maar niet is vast te stellen wat de inhoud van de telefoongesprekken is geweest. Bovendien heeft [verdachte 2] op 13 juni 2024 niet alleen met de gebruiker van genoemd telefoonnummer contact gehad rondom de tijdstippen van de brandstichting, maar ook - veelvuldig - met ‘ [naam 4] ’, alsmede met ‘ [naam 5] ’ en ‘ [naam 6] ’. De enkele omstandigheid dat de verdachte mogelijk rondom de tijdstippen – net als op 13 juni 2024 dus verschillende andere personen – telefonisch heeft gesproken met [verdachte 2] is onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de brandstichtingen.
Ten aanzien van de reisbewegingen van de telefoonnummers overweegt de rechtbank dat de vriendin van de verdachte ten tijde van de brandstichtingen circa 750 meter van de plaatsen-delict woonde. Voor zover de verdachte zich ten tijde van de brandstichtingen in de buurt van de plaatsen-delict bevond, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen of de verdachte, zelf destijds woonachtig in Arnhem, toen bij zijn vriendin verbleef.
Al met al zijn de bewijsmiddelen, ook tezamen en in onderling verband bezien, te weinig concreet om buiten redelijke twijfel vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van enige betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichtingen.
Conclusie
Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Voorlopige hechtenis
Nu de verdachte integraal zal worden vrijgesproken heeft de rechtbank op 3 april 2026 besloten de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Deze beslissing is separaat opgemaakt.

4.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich ter zake van de feiten 1 en 3 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 68.720,09, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 64.395,09 aan materiële schade ter zake van omzetderving en advocaatkosten, en € 4.325,- aan immateriële schade. Daarnaast zijn de proceskosten ter hoogte van € 2.165,- gevorderd.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van € 48.495,05 en volledige toewijzing van de proceskosten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de post van inkomstenderving (à € 60.225,04) gematigd moet worden tot winstderving en heeft betoogd dat daarvoor een bedrag van € 40.000,- kan worden toegewezen. De overige kosten kunnen in zijn geheel worden toegewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering tot schadevergoeding nu de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de kosten van inkomstenderving, de advocaatkosten en de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, wegens het ontbreken van (voldoende) onderbouwing.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

5.De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder de verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen, te weten 1.107,45 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2024186482-3416216).
5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geldbedrag zal worden teruggegeven aan de verdachte.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank ten aanzien van het inbeslaggenomen goed de teruggave aan de verdachte gelasten.

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1.107,45 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2024186482-3416216).
Dit vonnis is gewezen door
mr. T.A.B. Mentink, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. L.A. Duijm en A.V. Sagarajah, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 1] gelegen aan het [adres 1] en/of een of meer woning(en) gelegen aan [straatnaam] door twee, althans een of meer, flessen gevuld met benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of vuurwerk voor de deur te zetten en/of met een aansteker aan te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of zich in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[verdachte 2] op één meer tijdstippen in of omstreeks 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 1] gelegen aan [adres 1] en/of een of meer woning(en) gelegen aan [straatnaam] door twee, althans een of meer, flessen gevuld met benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of vuurwerk voor de deur te zetten en/of met een aansteker aan te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of zich in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair te duchten was
welk feit verdachte toen en daar in 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door (het in het vooruitzicht stellen van een) betaling van een geldbedrag en/of kwijtschelding van een schuld en/of een andere beloning en/of het verschaffen van een explosief en/of het verschaffen van (te verspreiden) brieven en/of het verschaffen van het adres van het pand waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht en/of het verschaffen van vervoer naar de locatie en/of het geven van instructies met betrekking de datum en/of de wijze waarop het explosief tot ontploffing gebracht moest worden aan die [verdachte 2] ;
2
hij op of omstreeks 12 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan het [adres 2] / [adres 3] en/of een woning gelegen aan het [adres 4] door een brandbare vloeistof, in een container/jerrycan/fles tegen/voor de deur(en) van die panden te zetten en/of die een brandbare vloeistof, aan te steken en/of vuurwerk in de nabijheid van die brandbare vloeistof, en/of panden aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en/of boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of zich in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [naam 1] en/of haar kind en/of personen in nabij gelegen woningen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[verdachte 2] op één meer tijdstippen in of omstreeks 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 2] , gelegen aan het [adres 2] / [adres 3] en/of een woning gelegen aan het [adres 4] door een brandbare vloeistof, in een container/jerrycan/fles tegen/voor de deur(en) van die panden te zetten en/of die een brandbare vloeistof, aan te steken en/of vuurwerk in de nabijheid van die brandbare vloeistof, en/of panden aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en/of boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of zich in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [naam 1] en/of haar kind en/of personen in nabij gelegen woningen te duchten was
welk feit verdachte toen en daar in 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door (het in het vooruitzicht stellen van een) betaling van een geldbedrag en/of kwijtschelding van een schuld en/of een andere beloning en/of het verschaffen van een explosief en/of het verschaffen van (te verspreiden) brieven en/of het verschaffen van het adres van het pand waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht en/of het verschaffen van vervoer naar de locatie en/of het geven van instructies met betrekking de datum en/of de wijze waarop het explosief tot ontploffing gebracht moest worden aan die [verdachte 2] ;
3
hij op of omstreeks 13 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 1] gelegen aan het [adres 1] en/of een woning gelegen aan [adres 5] door benzine, althans een brandbare vloeistof, in een container/jerrycan/fles tegen/voor de deur(en) van die pand(en) te zetten en/of die benzine, althans een brandbare vloeistof, aan te steken en/of vuurwerk in de nabijheid van die benzine, althans brandbare vloeistof, en/of panden aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [naam 2] en/of [naam 3] en/of personen in nabij gelegen woningen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[verdachte 2] op één meer tijdstippen in of omstreeks 1 mei 2024 tot en met 13 juni 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van Slijterij [bedrijfsnaam 1] gelegen aan het [adres 1] en/of een woning gelegen aan [adres 5] door benzine, althans een brandbare vloeistof, in een container/jerrycan/fles tegen/voor de deur(en) van die pand(en) te zetten en/of die benzine, althans een brandbare vloeistof, aan te steken en/of vuurwerk in de nabijheid van die benzine, althans brandbare vloeistof, en/of panden aan te steken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die slijterij en boven- en/of naastgelegen woningen/panden en/of in die woningen/panden bevindende goederen en/of straatmeubilair en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [naam 2] en/of [naam 3] en/of personen in nabij gelegen woningen te duchten was
welk feit verdachte toen en daar in 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door (het in het vooruitzicht stellen van een) betaling van een geldbedrag en/of kwijtschelding van een schuld en/of een andere beloning en/of het verschaffen van een explosief en/of het verschaffen van (te verspreiden) brieven en/of het verschaffen van het adres van het pand waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht en/of het verschaffen van vervoer naar de locatie en/of het geven van instructies met betrekking de datum en/of de wijze waarop het explosief tot ontploffing gebracht moest worden aan die [verdachte 2] .