Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL24.48498
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visum kort verblijf

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 1962, diende op 28 december 2023 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 19 januari 2024 af en verklaarde het bezwaar van eiseres op 18 december 2024 ongegrond, vanwege twijfels over haar sociale en economische binding met Marokko en het voornemen het land tijdig te verlaten.

Eiseres stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank oordeelde dat de minister de hoorplicht in de bezwaarfase heeft geschonden door geen hoorzitting te houden, terwijl eiseres voldoende inspanningen had verricht om haar economische binding aan te tonen. De minister had op een hoorzitting nadere vragen kunnen stellen, onder meer over tegenstrijdigheden in de vragenlijst en de twijfel over CNSS-gegevens.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd een dwangsom van €1.442,- opgelegd wegens de overschrijding van de beslistermijn en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48498
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Berg),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1962 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op
28 december 2023 heeft zij een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf, om haar neef [persoon 1] (referent) en andere familieleden in Nederland te bezoeken.
2.2.
Met het primaire besluit van 19 januari 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 18 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder heeft eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet aangetoond. Daarbij bestaat er bij verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eiseres heeft onvoldoende sociale binding met haar land van herkomst. Zij is 64 jaar, ongehuwd en heeft geen kinderen. Haar sociale binding is niet uitsluitend in Marokko, omdat haar familieleden in Nederland wonen. In bezwaar heeft ze aangevoerd dat ze met haar familieleden in Marokko woont, maar dat is tegenstrijdig met wat zij in de vragenlijst heeft ingevuld. Eiseres heeft ook onvoldoende economische binding met Marokko. Ze heeft niet aangetoond dat ze over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Volgens verweerder is niet vast komen te staan dat ze werkt als doktersassistente, omdat bij de controle van haar loonstrook is gebleken dat de vermelde CNSS [1] -gegevens niet overeenkomen met de gegevens die in het systeem staan.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, referent, [persoon 2] (de broer van eiseres) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht
3.1.
Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had haar in een hoorzitting om nadere informatie moeten vragen, in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
3.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [2] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [3] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet had mogen afzien van het houden van een hoorzitting. Gebleken is dat eiseres inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te overleggen. In de bezwaarfase heeft verweerder een vragenlijst aan eiseres toegezonden om nadere informatie te krijgen. Eiseres heeft deze vragenlijst ingevuld geretourneerd. Eiseres heeft verder een aanzienlijk aantal stukken overgelegd om te onderbouwen dat zij werkzaam is als doktersassistente. Zo heeft zij een werkgeversverklaring, een verlofverklaring, een loonstrook, een salarisstrook, en beloningsslip, een balansverklaring en bankafschriften overgelegd. Ook heeft zij foto’s overgelegd, waarop zij te zien is op haar werk, in haar werkkleding. Volgens verweerder kunnen deze stukken niet tot de conclusie leiden dat sprake is van voldoende economische binding. Verweerder heeft namelijk een controle uitgevoerd in het CNSS-systeem, maar bij deze controle kwamen de vermelde CNSS-gegevens niet overeen met de gegevens die in het systeem staan. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat een beslismedewerker van verweerder geprobeerd heeft een tweede check te doen, maar dat het de beslismedewerker toen niet lukte om in het systeem te komen. Gebleken is dus dat verweerder twijfels had over de economische binding van eiseres met Marokko. Deze twijfels zijn niet weggenomen of bevestigd, omdat een tweede controle in het
CNSS-systeem niet heeft kunnen plaatsvinden. Omdat eiseres wel veel inspanningen heeft verricht om haar economische binding met Marokko te onderbouwen, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder eiseres kunnen vragen naar de CNSS-gegevens en had eisers eventuele onduidelijkheden mogelijk kunnen wegnemen.
3.4.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar in het geval van eiseres niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren.
3.5.
Op de zitting is aan bod gekomen dat eiseres op de vragenlijst heeft ingevuld dat zij geen broers en zussen heeft in Marokko. In beroep en op de zitting heeft zij aangevoerd dat zij in Marokko wel broers en zussen heeft. Verweerder heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat verweerder hier in het bestreden besluit geen rekening mee kon houden, omdat eiseres de vragenlijst onvolledig heeft ingevuld, namelijk zonder vermelding van broers en zussen die in Marokko wonen. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij bij het invullen van de vragenlijst het over het hoofd heeft gezien om melding te maken van haar broers en zussen in Marokko. De rechtbank stelt vast dat dit ook een aspect is dat op de te houden hoorzitting aan de orde kan komen. Verweerder kan hierover om opheldering vragen en eiseres kan duidelijkheid verschaffen over de in Marokko wonende familieleden.
3.6.
Op de zitting heeft de broer van eiseres nog toegelicht dat hij eerder referent is geweest voor het laten overkomen van familieleden naar Nederland op grond van een visum kort verblijf. Deze familieleden zijn toen tijdig teruggekeerd naar Marokko. De broer van eiseres stelt een betrouwbare referent te zijn. De rechtbank geeft verweerder – ten overvloede – mee om dit ook te betrekken in een nieuwe beoordeling.
Dwangsom
4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder haar een dwangsom verschuldigd is, gelet op de datum van de ingebrekestelling en het feit dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard.
4.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat niet op tijd is beslist op het bezwaarschrift en dat de ingebrekestelling terecht is geweest. De rechtbank heeft in 3.4 reeds overwogen dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren. Dat betekent dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing is. Verweerder was daarom wel een dwangsom verschuldigd aan eiseres.
4.3.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu op grond van artikel 8:55c van de Awb en stelt de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke was.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
5.3.
Omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, heeft eiseres recht op een dwangsom. Deze dwangsom is vastgesteld op € 1.442,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 18 december 2024;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
  • stelt de door verweerder aan eiseres te betalen dwangsom vast op € 1.442,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Caisse Nationale de Sécurité Sociale.
2.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.