Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.1874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 IVURArt. 14 EVRMArt. 1 12e Protocol EVRMArt. 21 Handvest grondrechten EUArt. 7 lid 2 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: weigering machtiging voorlopig verblijf wegens inburgeringsvereiste strijdig met discriminatieverbod

Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, diende op 31 juli 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid van haar echtgenoot die sinds 1999 in Nederland verblijft. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op grond van het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat het inburgeringsvereiste in de huidige vorm in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM, de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank neemt daarbij de rechtsoverwegingen over uit een eerdere meervoudige kameruitspraak van 16 april 2024.

Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke en medische situatie van eiseres, waaronder depressieve en angstklachten die haar cognitieve vaardigheden matig beperken. De minister heeft de verklaringen van de ambassade-arts, psychiater en eigen arts van eiseres niet adequaat meegewogen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en alle relevante gegevens. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het discriminatieverbod en onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1874
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 31 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv, voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’. Referent is de echtgenoot van eiseres. Hij is sinds 1999 in Nederland.
2.2.
Met het primaire besluit van 22 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres voldoet namelijk niet aan het inburgeringsvereiste en komt niet in aanmerking voor ontheffing daarvan. Verweerder neemt aan dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiseres en referente, maar de belangenafweging in dat kader valt uit in het nadeel van eiseres.
2.3.
Met het bestreden besluit van 20 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderscheid door het inburgeringsexamen gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat het onderkend is door de wetgever. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste op grond van haar persoonlijke individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres zich langdurig en op een passende manier heeft voorbereid op verschillende onderdelen van het examen en dat zij alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden om het examen te halen. Verweerder ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels. Met betrekking tot artikel 8 van Pro het EVRM verwijst verweerder naar de belangenafweging in het primaire besluit.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht is overgegaan tot afwijzing van de mvv-aanvraag.
Is het inburgeringsvereiste in strijd met het discriminatieverbod?
4.1.
Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024. [2]
4.2.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over, in het bijzonder rechtsoverweging 30.
4.3.
Dit brengt mee dat verweerder de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank zal aan het einde van deze uitspraak terugkomen op de gevolgen van de gegrondverklaring.
4.4.
Nu het beroep reeds gegrond is omdat het besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM, hoeft de rechtbank de overige gronden niet meer te bespreken. De rechtbank zal echter, met het oog op het mogelijke hoger beroep, de onzekerheid van de uitkomst van de gestelde prejudiciële vragen en in het kader van finale geschilbeslechting, toch inhoudelijk ingaan op de beroepsgrond dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiseres?
5.1.
Eiseres voert aan dat haar persoonlijke situatie zou moeten leiden tot ontheffing van het inburgeringsvereiste. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met haar medische situatie, zoals deze volgt uit de verklaringen van de ambassade-arts dr. Esin (de ambassade-arts) van 10 juli 2023, 8 mei 2024 en 11 september 2024 en de verklaring van psychiater dr. Kir (de psychiater) van 10 juli 2023. De ambassade-arts heeft de psychiater ingeschakeld bij eiseres’ eerste bezoek aan de ambassade-arts. Eiseres voert verder aan dat verweerder de verklaring van haar eigen arts dr. [naam] van 30 oktober 2024 ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling.
5.2.
De rechtbank beoordeelt of verweerder eiseres op grond van haar bijzondere individuele omstandigheden had moeten ontheffen van de inburgeringsplicht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking het arrest K. en A. van het Hof van 9 juli 2015. [3] Uit dit arrest volgt dat het vooraf stellen van bepaalde integratievoorwaarden is toegestaan, maar alleen als deze voorwaarden de integratie vergemakkelijken. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat de integratievoorwaarden van artikel 7, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86 niet tot doel mogen hebben de personen te selecteren die hun recht op gezinshereniging zullen kunnen uitoefenen, maar dat deze hun integratie in de lidstaten dienen te vergemakkelijken. Uit het beleid [4] van verweerder volgt verder dat verweerder beoordeelt of eiseres in aanmerking komt voor ontheffing op basis van haar persoonlijke omstandigheden, de door haar getoonde wil om voor het examen te slagen en de inspanningen die eiseres daarvoor geleverd heeft.
5.3.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het volgende overwogen over de medische situatie van eiseres. Verweerder heeft gesteld dat de ambassade-arts in zijn verklaring van
8 mei 2024 geen antwoord heeft gegeven op de vraag of bij eiseres sprake is van psychiatrische problemen. Om te achterhalen of sprake is van psychiatrische problemen, zijn er door verweerder aanvullende vragen gesteld aan de ambassade-arts. De ambassade-arts heeft vervolgens op 11 september 2024 verklaard dat de psychiatrische problemen die bij het eerste bezoek zijn genoemd het dagelijkse leven van eiseres blijven beïnvloeden. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder gesteld dat de psychiater geen diagnose van een mentale beperking bij eiseres heeft vastgesteld en dat hij haar cognitieve vaardigheden heeft vastgesteld op ‘matig beperkt’. Verweerder heeft hieruit geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een medische belemmering bij eiseres waardoor zij zich niet kan voorbereiden op het examen of het examen niet opnieuw zou kunnen afleggen.
5.4.
De rechtbank stelt het volgende vast. In de verklaring van 10 juli 2023 van de psychiater staat dat eiseres depressieve klachten en angstklachten heeft en dat de cognitieve vaardigheden van eiseres matig worden beïnvloed door chronische depressieve symptomen. In deze verklaring staat verder dat eiseres kan worden gediagnosticeerd met een paniekstoornis, een depressieve episode en een conversiestoornis en dat de cognitieve vaardigheden van eiseres ‘matig beperkt’ zijn. Gelet op deze conclusies van de psychiater, kan de rechtbank het standpunt van verweerder dat de psychiater geen diagnose van een mentale beperking heeft vastgesteld niet volgen. De rechtbank kan ook de conclusie van verweerder niet volgen dat bij eiseres geen sprake is van een medische belemmering waardoor zij zich niet kan voorbereiden op het examen. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van verweerder in het bestreden besluit niet in lijn met de conclusies van de psychiater.
5.5.
De rechtbank volgt verder het standpunt van eiseres dat verweerder de verklaring van haar eigen arts ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaring niet kan worden meegenomen, omdat verweerder alleen verklaringen van door verweerder zelf ingeschakelde ambassade-artsen meeneemt in zijn beoordeling. De rechtbank kan verweerder in beginsel volgen dat hij artsen volgt die door de ambassade zijn aangewezen. Echter, in deze zaak zijn er ook verklaringen van de ambassade-arts en de door de ambassade-arts ingeschakelde psychiater die (in grote lijnen) dezelfde conclusie hebben getrokken als de eigen arts van eiseres. Nu de verklaring van de eigen arts van eiseres bevestigt dat bij eiseres sprake is van een angststoornis, kan de rechtbank niet volgen waarom verweerder daar, in combinatie met de verklaringen van de ambassade-arts en psychiater, geen waarde aan heeft gehecht.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke, medische situatie van eiseres. De motivering in het bestreden besluit is ook op dit punt niet deugdelijk. Het beroep is echter reeds gegrond omdat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden is daarom slechts relevant als de uitkomst van de gestelde prejudiciële vragen niet in lijn zal zijn met de conclusies uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen. Met verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 16 april 2024 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit discriminatoir is, omdat het in strijd is met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR [5] , artikel 14 van Pro het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn als ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet verweerder rekening houden met wat er in deze uitspraak is geoordeeld, en alle gegevens in de beoordeling betrekken die op dat moment bekend zijn. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie het arrest van het Hof van 9 juli 2015 in de zaak C153/15, K. en A.
4.Op grond van paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), nader uitgewerkt in Werkinstructie 2021/21 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
5.Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.