4.4.Tot slot vraagt eiser aandacht voor de noodzaak van het inverdienen. Het is geen compensatie voor werkdruk of afkoop van overuren. Het is een recht om eerder met leeftijdsontslag te kunnen gaan omdat het lichaam bij zwaar en heftig werk eerder op raakt. Voor uitzendingen wordt dit erkend door een toelage toe te kennen én inverdientijd toe te kennen.
5. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. In de ATW is vastgelegd hoe lang een werknemer mag werken en wanneer hij recht heeft op rust en pauze. Voor militairen zijn de werk- en rusttijden te vinden in hoofdstuk 7 van het AMAR. Er zijn echter omstandigheden waarin toepassing van deze beschermende bepalingen niet goed samen gaat met een goede uitoefening van defensietaken. Zo volgt uit artikel 2:4, tweede lid, onder b, van de ATW dat die wet van toepassing is op arbeid verricht door defensiepersoneel, tenzij deze arbeid wordt verricht ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden onder het BZ-convenant geen wettelijke taak van Defensie is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet juist is. Uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Politiewet volgt dat een van de aan de KMar opgedragen politietaken is: de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie en bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, het bewaken van objecten en diensten en het waken over de veiligheid van aangewezen personen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c (het waken over de veiligheid van leden van het koninklijk huis en andere door Onze Minister aangewezen personen). In tegenstelling tot wat verweerder stelt vallen de werkzaamheden onder het BZ-convenant volgens de rechtbank wel onder een wettelijk opgedragen taak. Daarmee wordt voldaan aan deze eis van de uitzonderingsbepaling van artikel 2:4, tweede lid, onder b, van de ATW en de evenknie van dat artikel in het AMAR, artikel 55a, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR en zijn de beschermende bepalingen niet van toepassing op de werkzaamheden onder het BZ-convenant indien de arbeidstijdenregels een goede taakuitoefening belemmeren.
8. Verweerder wijst er op dat bij de totstandkoming van het BZ-convenant er niet voor gekozen is om de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR buiten toepassing te verklaren, zoals dat wel uitdrukkelijk gedaan is bij de VVHO. De rechtbank begrijpt dat verweerder er beleidsmatig voor kiest dat de werkzaamheden die onder het BZ-convenant plaatsvinden onder de beschermende bepalingen van de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR zouden moeten worden uitgevoerd. Zoals verweerder ter zitting benadrukte wordt van de commandant van [onderdeel] verwacht dat die er voor zorgdraagt dat er voldoende personeel wordt ingezet zodat gewaarborgd is dat voldaan kan worden aan de beschermende bepalingen. Volgens de rechtbank is het echter, los van deze eventuele bedoeling van Defensie, nodig om vast te stellen of eiser feitelijk heeft gewerkt onder omstandigheden waarop de beschermende bepalingen uit de ATW en het AMAR van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden en legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
9. In zijn algemeenheid is bekend dat de werkzaamheden plaatsvinden in crisisgebieden en zowel overdag als in de nacht kunnen plaatsvinden. Soms is er zelfs sprake van oorlogsgeweld in de nabijheid van de werkzaamheden, waardoor het [onderdeel] personeel te allen tijde beschikbaar en bereikbaar moet zijn.