Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
24/10160
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39c AMARArt. 2 AMARArt. 55a AMARArt. 55e AMARArt. 2:4 ATW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op inverdienen leeftijdsontslag voor inzet Koninklijke Marechaussee onder BZ-convenant

Eiser, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om zijn tijdelijke inzet voor het ministerie van Buitenlandse Zaken mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd, zodat hij eerder met leeftijdsontslag kan gaan. Verweerder wees dit verzoek aanvankelijk af op grond van financiële en operationele redenen en de toepassing van de Arbeidstijdenwet (ATW) en het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden onder het BZ-convenant wel degelijk onder een wettelijk opgedragen taak vallen en dat de beschermende bepalingen van de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR niet goed samen gaan met een goede taakuitoefening. Uit getuigenverklaringen blijkt dat de werkzaamheden plaatsvinden onder zware omstandigheden, waarbij rust- en werktijden niet volgens de beschermende bepalingen kunnen worden nageleefd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover eiser niet mocht inverdienen voor zijn inzet vanaf 2017 en bepaalt dat eiser dit recht wel heeft. Daarnaast krijgt eiser een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure, en worden griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.

Het beroep wordt gegrond verklaard en de rechtbank neemt zelf een beslissing op de aanvraag tot inverdienen. De uitspraak bevestigt dat de inzet onder het BZ-convenant gelijkstaat aan inzet bij vredes- en humanitaire operaties wat betreft inverdientijd.

Uitkomst: Eiser krijgt recht op inverdienen voor inzet onder het BZ-convenant vanaf 2017 en ontvangt schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10160
uitspraak van de meervoudige militaire ambtenarenkamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Rikhof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om te mogen inverdienen voor zijn inzet voor het ministerie van Buitenlandse Zaken.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft verweerder het besluit van 4 december 2024 ingetrokken en is met een aangepaste motivering bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Voor verweerder zijn verder verschenen [naam 1] en [naam 2]. Het beroep met zaaknummer 24/9372 is tegelijkertijd op zitting behandeld omdat dit ziet op eenzelfde verzoek van een collega van eiser. Daar zijn aanwezig [collega] en zijn gemachtigde mr. D.C. Coppens.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is werkzaam bij [onderdeel] van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarbij is hij meermaals tijdelijk tewerkgesteld bij het ministerie van Buitenlandse Zaken om hoog risico vertegenwoordigingen in het buitenland te beveiligen/ondersteunen. Dit wordt gedaan op basis van het zogenoemde BZ-convenant tussen Defensie en Buitenlandse Zaken. Op 1 juni 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om zijn inzet voor Buitenlandse Zaken mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd. Dat wil zeggen dat eiser op een eerder moment met leeftijdsontslag zou kunnen gaan. Bij Defensie spelen nog tientallen procedures waarin eenzelfde soort aanvraag gedaan is.
Wat heeft verweerder besloten?
3. In de oude beslissing op bezwaar van 4 december 2024 stelde verweerder zich kortgezegd op het standpunt dat de ATW [1] en de meeste bepalingen van hoofdstuk 7 van het AMAR [2] niet van toepassing zijn op de werkzaamheden onder het BZ-convenant en dat eiser voldeed aan de voorwaarden van artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c van het AMAR. Toch werd er om redenen van financiën, personeelsbehoud en daarmee samenhangend de operationele gereedheid, voor gekozen dat eiser niet kon inverdienen voor die werkzaamheden. Verweerder maakte gebruik van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2 aanhef Pro en onder d van het AMAR en stelde zich daarbij op het standpunt dat eiser met de regeling [onderdeel] voldoende gecompenseerd is voor de verrichtte arbeid.
3.1.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 juni 2025 [3] heeft verweerder de oude beslissing ingetrokken en opnieuw een afwijzend besluit genomen, maar met een andere motivering. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR om eerder met leeftijdsontslag te kunnen gaan. Om te voldoen aan dit artikel moet de militair voor ten minste zeven aaneengesloten dagen buiten Nederland arbeid verrichten onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de ATW of hoofdstuk 7 van het AMAR niet van toepassing zijn. Verweerder is nu van mening dat zowel de ATW als hoofdstuk 7 van het AMAR wel van toepassing zijn op de werkzaamheden die eiser heeft verricht onder het BZ-convenant, zodat daarmee niet wordt voldaan aan artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR. Verweerder verwijst hierbij onder meer naar artikel 5:16 ATW Pro dat bepaalt dat de werkgever moet zorgen dat normen van de ATW ook in het buitenland worden nageleefd. Ook verwijst verweerder naar afspraken hieromtrent met centrales van overheidspersoneel alsook naar het convenant tussen Defensie en Buitenlandse zaken dat bepaalt dat de militaire rechtspositie onverkort van toepassing is. Afwijken van hoofdstuk 7 AMAR mag volgens verweerder op grond van artikel 2 en Pro dat is gedaan met de regeling [onderdeel]. Voorts stelt verweerder dat in dit geval geen sprake is van een wettelijk opgedragen taak -in tegenstelling tot vredes- en humanitaire operaties- waardoor de ATW en hoofdstuk 7 AMAR niet buiten toepassing blijven indien voornoemde wetgeving een goede taakuitoefening belemmert. Verweerder stelt verder dat [onderdeel] inzetten korter zijn dan vredes- en humanitaire operaties. Verweerder is ook van mening dat tijdens [onderdeel] inzetten in ploegen kan worden gewerkt en de beveiliging deels door anderen wordt gedaan waardoor er voldoende ruimte is voor rust en ontspanning. [onderdeel]-ers zijn streng geselecteerd en goed opgeleid om met deze omstandigheden om te gaan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR niet van toepassing zijn tijdens zijn werk voor Buitenlandse Zaken. Uit de ATW volgt weliswaar dat die wet wel van toepassing is op defensiepersoneel, maar dat geldt niet als die wet kortgezegd een goede taakuitoefening belemmert [4] . Volgens eiser is het onmogelijk om tijdens de werkzaamheden onder het BZ-convenant de ATW regels op te volgen. Eiser dient in hoog risico gebieden zoals Tripoli of Bagdad 24 uur per dag belangrijke personen te beschermen. Op ieder moment kan gevaar ontstaan, waarbij de inzet van eiser vereist is, ook tijdens de onderling afgesproken rustperiodes.
4.1.
Verweerders verwijzing naar artikel 5:16 van Pro de ATW gaat niet op omdat dat artikel is bedoeld voor grensarbeiders die aan beide zijden van de grens een dienstbetrekking hebben bij verschillende werkgevers. Indien de rechtbank van oordeel is dat de ATW wel van toepassing is wijst eiser er op dat de volledige tijd van de inzet in het buitenland tot arbeidstijd moet worden gerekend. Eiser moet immers verplicht aanwezig en beschikbaar zijn op een door de werkgever aangewezen plek [5] . Daarmee overtreedt verweerder de ATW op grootschalige wijze en daar staan hoge boetes van de Arbeidsinspectie op.
4.2.
Bij internationale tewerkstelling is de hoofdregel uit artikel 55e van het AMAR dat hoofdstuk 7 van het AMAR uitgesloten. Hoewel dat niet geldt voor letterlijk alle bepalingen van hoofdstuk 7 is het volgens eiser wel de bedoeling om deze situatie onder artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR te laten vallen. Verweerder stelt ten onrechte dat de Regeling [onderdeel] een uitzondering is op hoofdstuk 7 van het AMAR. Die regeling ziet echter op aanpassingen in de bestaande vergoedingen regelingen. De regeling [onderdeel] lijkt op de vergoeding voor militairen die ingezet worden bij vredes- en humanitaire operaties (regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties, VVHO). Bij de VVHO is de vergoeding echter geen vervanging voor het inverdienen, maar staat ernaast. Dat zou bij [onderdeel] vergoeding ook zo moeten zijn.
4.3.
Eiser wijst er verder op dat de Regeling [onderdeel] is gestoeld op artikel 60c van het AMAR. Ten aanzien van de extra beslaglegging kan een ministeriële regeling worden gemaakt. Daaruit blijkt niet dat heel hoofdstuk 7 van het AMAR wordt vervangen door die regeling. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op de binnenkort in werking tredende Regeling Militaire Inzet. In die nieuwe Regeling zullen [onderdeel] inzetten meetellen voor de inverdientijd op grond van artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR.
4.4.
Tot slot vraagt eiser aandacht voor de noodzaak van het inverdienen. Het is geen compensatie voor werkdruk of afkoop van overuren. Het is een recht om eerder met leeftijdsontslag te kunnen gaan omdat het lichaam bij zwaar en heftig werk eerder op raakt. Voor uitzendingen wordt dit erkend door een toelage toe te kennen én inverdientijd toe te kennen.
Wat zijn de regels?
5. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. In de ATW is vastgelegd hoe lang een werknemer mag werken en wanneer hij recht heeft op rust en pauze. Voor militairen zijn de werk- en rusttijden te vinden in hoofdstuk 7 van het AMAR. Er zijn echter omstandigheden waarin toepassing van deze beschermende bepalingen niet goed samen gaat met een goede uitoefening van defensietaken. Zo volgt uit artikel 2:4, tweede lid, onder b, van de ATW dat die wet van toepassing is op arbeid verricht door defensiepersoneel, tenzij deze arbeid wordt verricht ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden onder het BZ-convenant geen wettelijke taak van Defensie is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet juist is. Uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Politiewet volgt dat een van de aan de KMar opgedragen politietaken is: de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie en bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, het bewaken van objecten en diensten en het waken over de veiligheid van aangewezen personen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c (het waken over de veiligheid van leden van het koninklijk huis en andere door Onze Minister aangewezen personen). In tegenstelling tot wat verweerder stelt vallen de werkzaamheden onder het BZ-convenant volgens de rechtbank wel onder een wettelijk opgedragen taak. Daarmee wordt voldaan aan deze eis van de uitzonderingsbepaling van artikel 2:4, tweede lid, onder b, van de ATW en de evenknie van dat artikel in het AMAR, artikel 55a, eerste lid, aanhef en onder b, van het AMAR en zijn de beschermende bepalingen niet van toepassing op de werkzaamheden onder het BZ-convenant indien de arbeidstijdenregels een goede taakuitoefening belemmeren.
8. Verweerder wijst er op dat bij de totstandkoming van het BZ-convenant er niet voor gekozen is om de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR buiten toepassing te verklaren, zoals dat wel uitdrukkelijk gedaan is bij de VVHO. De rechtbank begrijpt dat verweerder er beleidsmatig voor kiest dat de werkzaamheden die onder het BZ-convenant plaatsvinden onder de beschermende bepalingen van de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR zouden moeten worden uitgevoerd. Zoals verweerder ter zitting benadrukte wordt van de commandant van [onderdeel] verwacht dat die er voor zorgdraagt dat er voldoende personeel wordt ingezet zodat gewaarborgd is dat voldaan kan worden aan de beschermende bepalingen. Volgens de rechtbank is het echter, los van deze eventuele bedoeling van Defensie, nodig om vast te stellen of eiser feitelijk heeft gewerkt onder omstandigheden waarop de beschermende bepalingen uit de ATW en het AMAR van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden en legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
9. In zijn algemeenheid is bekend dat de werkzaamheden plaatsvinden in crisisgebieden en zowel overdag als in de nacht kunnen plaatsvinden. Soms is er zelfs sprake van oorlogsgeweld in de nabijheid van de werkzaamheden, waardoor het [onderdeel] personeel te allen tijde beschikbaar en bereikbaar moet zijn.
9.1.
Voor een gedetailleerder beeld van de werkzaamheden heeft [collega] ter zitting een toelichting gegeven. Hij geeft aan dat hij nooit in de gelegenheid was om te werken volgens een rooster en dat hij vele malen buitengewoon lange aaneengesloten periodes heeft gewerkt, tot 24 uur toe, vaak onder primitieve omstandigheden. [collega] weerspreekt verweerders stelling dat de werkzaamheden grotendeels plaatsvinden in een door andere partijen beveiligd gebied en dat daardoor [onderdeel] personeel normaal kan rusten. Ter zitting heeft [collega] uitgelegd dat er wordt gewerkt met zogenaamde beveiligingsringen. De buitenste ring kan door een lokale partij beveiligd worden, maar [onderdeel]-ers zijn daar uiteindelijk ook verantwoordelijk voor. Zo worden de lokale medewerkers weer getraind door [onderdeel]-ers en laatstgenoemden hebben dus ook werk aan de ruimere objectbeveiliging.
9.2.
[collega] geeft verder aan dat hij ook VVHO werkzaamheden heeft gedaan en kan zeggen dat werkzaamheden onder het BZ-convenant 100 procent gelijk zijn, als ze niet zwaarder zijn. Bij een VVHO inzet worden bepaalde onderdelen zoals de beveiliging namelijk wel georganiseerd door anderen, zodat je meer rust krijgt. Bij de werkzaamheden onder het BZ-convenant ben je nooit klaar omdat alles aan veiligheid linkt en daar ben je zelf verantwoordelijk voor.
9.3.
Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat [onderdeel]-ers tijdens de val van Kabul daarheen zijn gestuurd om personeel te evacueren. Dat werd toen gedaan onder de noemer van meerdaagse activiteiten, waarbij hoofdstuk 7 van het AMAR buiten toepassing werd verklaard. Dat laat zien dat maatwerk mogelijk is, aldus verweerder. [collega] heeft ter zitting uitgelegd dat in de aanloop naar en tijdens van de val van Kabul ook [onderdeel]-ers aan het werk waren die daar al zaten onder het BZ-convenant. Dit betrof onder meer een collega van eiser die als toeschouwer bij de zitting aanwezig was. [onderdeel]-ers die onder het BZ-convenant tijdens de val van Kabul aan het werk waren hebben exact hetzelfde zware werk moeten doen als [onderdeel]-ers die een paar dagen later werden gestuurd onder de noemer meerdaagse activiteiten, met bijbehorend verschil in rechtspositie.
9.4.
Verweerder heeft de verklaringen van [collega] ter zitting over hoe de werkzaamheden onder het BZ-convenant er feitelijk uitzien, onvoldoende helder gemotiveerd weersproken. De enkele stelling dat contact opgenomen is met [onderdeel] en dat daarbij is aangegeven dat het werk weliswaar zwaar is maar wel onder de beschermende bepalingen kan plaatsvinden, is daartoe onvoldoende specifiek. Het is ook niet in lijn met het advies van de commandant [onderdeel], luitenant-kolonel J. van Horn, op het rekest. Hij adviseert: “Meerekenen buitenland-inzet t.b.v. BZ voor inverdientijd aangezien aard van deze inzet qua gevaarzetting en werkdruk minstens gelijk staat aan VVHO-inzetten” De rechtbank stelt dan ook vast dat inzet onder het BZ-convenant zoals die heeft plaatsgevonden zich feitelijk niet verdraagt met de beschermende bepalingen van de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR, omdat deze een goede taakuitoefening zouden hebben belemmerd. Voorts heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt ook -de facto- onder omstandigheden te hebben gewerkt waarbij die bescherming niet aan de orde was. Verweerder heeft de rechtbank niet gemotiveerd van het tegendeel kunnen overtuigen. Gezien het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank daarom van oordeel dat eiser voor zijn inzetten onder het BZ-convenant na 2017 kan inverdienen conform artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR.
10. Voor zover eiser meent dat hij al vanaf 2010 recht heeft op inverdienen voor zijn inzetten verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Het AMAR voorziet immers pas vanaf 2017 in de mogelijkheid tot inverdienen voor werkzaamheden waarop de ATW en hoofdstuk 7 van het AMAR niet van toepassing zijn. Voor eisers impliciete verzoek om buiten de bepalingen van het AMAR om het inverdienen mogelijk te maken heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende motivering gegeven. Zoals verweerder ter zitting heeft verduidelijkt is artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR ontstaan met de invoering van nieuwe diensteinderegeling in 2017. Bij die nieuwe diensteinderegeling wordt de ontslagleeftijd gekoppeld aan de AOW leeftijd. Daarmee heeft de nieuwe diensteinderegeling een hogere ontslagleeftijd dan de oude diensteinderegeling waar je op je zestigste met leeftijdsontslag kon. Het is daarbij echter wel mogelijk om in te verdienen als je werkzaamheden hebt gedaan waarbij de beschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Deze mogelijkheid is er niet voor militairen die kiezen voor de oude diensteinderegeling en daarmee dus al met zestig jaar met leeftijdsontslag gaan.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
11. Ten aanzien van het betoog van eiser dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [6] en hij daarom in aanmerking komt voor een schadevergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. In procedures als deze mag, volgens vaste jurisprudentie, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. [7] De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces. [8] Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
11.1.
Verweerder heeft het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit op 24 augustus 2023 ontvangen. Vanaf deze datum tot aan 21 april 2026, de datum van de uitspraak op het onderhavige beroep, zijn 2 jaar en zeven maanden verstreken. Dat betekent dat de termijn, afgerond naar boven, met een jaar is overschreden. De behandeling van het bezwaar door verweerder heeft langer geduurd dan de toegestane periode van een half jaar, namelijk 15 maanden. Dit heeft tot gevolg dat de redelijke termijn in de bezwaarfase is overschreden en verweerder hiervoor in beginsel aan eiser een schadevergoeding moet betalen.
11.2.
Verweerder heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake is van omstandigheden die een langere behandelingsduur dan twee jaar rechtvaardigen. Zo heeft er in de bezwaarfase veel overleg plaatsgevonden en gaf de gemachtigde van eiser telkens toestemming voor de vele uitvragen die door verweerder gedaan werden. Eiser heeft verweerder ook nooit in gebreke gesteld. Dit maakt volgens verweerder dat in dit geval de overschrijding kan worden gerechtvaardigd en daarmee geen schadevergoeding aan eiser hoeft te worden betaald. Eiser benadrukt dat hij nooit ingestemd heeft met het opschorten van de beslistermijn.
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in bezwaar geheel aan verweerder is toe te rekenen. Het ligt op de weg van verweerder om een zorgvuldige heroverweging te maken en daarbij alle uitvragen te doen die daarvoor nodig zijn. Dit is niet afhankelijk van de instemming van eiser. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. De rechtbank stelt vast dat er geen overschrijding is in de beroepsfase. Het voorgaande leidt ertoe dat de schadevergoeding van € 1.000,- volledig voor rekening komt van verweerder.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 39c van het AMAR alsook het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser voor dat deel gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover eiser niet heeft mogen inverdienen voor zijn inzetten onder het BZ-convenant vanaf 2017.
12.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiser voor zijn inzetten vanaf 2017 onder het BZ-convenant het recht heeft om in te verdienen.
12.2.
Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 juni 2025 voor zover daarin is beslist dat eiser niet heeft mogen inverdienen voor zijn inzetten onder het BZ-convenant vanaf 2017;
- herroept het besluit van 17 juli 2023;
- bepaalt dat eiser voor zijn inzetten vanaf 2017 onder het BZ-convenant het recht heeft om in te verdienen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzitter, en mr. C.W. Griffioen, lid en kolonel b.d. mr. F.A. Kooloos (militair lid), leden, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage

Algemeen militair ambtenarenreglement

Artikel 2 Afwijking Pro van dit besluit
Onze Minister kan voorts bijzondere regelen, die afwijken van dit besluit, vaststellen ten aanzien van militairen die tewerkgesteld zijn:
a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;
b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;
c. ten behoeve van operaties in het kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen door Nederland aangegaan.
d. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a, b en c,
met dien verstande dat de bevoegdheid tot afwijken niet geldt met betrekking tot aangelegenheden, geregeld in de hoofdstukken 2, 4, 5 en 6.
Artikel 39c. Verlaging van de ontslagleeftijd wegens arbeid als militair onder bepaalde omstandigheden
1. De voor een militair met toepassing van artikel 39, tweede lid onderdeel a, of artikel 39a, eerste tot en met vierde lid, vastgestelde datum van leeftijdsontslag wordt op aanvraag van deze militair vervroegd in verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in het kader van een vredes- of humanitaire operatie, of het anderszins hebben verricht van arbeid onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.
2 De in het eerste lid bedoelde vervroeging bedraagt ten hoogste:
a. één derde van de tijd die vanaf 1 januari 1990 tot en met 31 december 2007 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht;
de helft van de tijd die vanaf 1 januari 2008 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht; en
de helft van de tijd vanaf 1 januari 2017 waarbij de militair voor ten minste zeven aaneengesloten dagen arbeid heeft verricht onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.
3 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt door de militair ten minste achttien maanden vóór de door de militair beoogde datum van leeftijdsontslag bij het bevoegde gezag ingediend.
4 Op militairen aan wie op aanvraag leeftijdsontslag wordt verleend als bedoeld in artikel 39a, is het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing. De verlaging van de ontslagleeftijd voor deze militairen bedraagt maximaal twee jaren terwijl de ontslagleeftijd niet lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.
Artikel 55e. Internationaal tewerkgesteld
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, vierde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, eerste en tweede lid, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor zover hij is tewerkgesteld buiten Nederland.

Arbeidstijdenwet

Defensie
Artikel 2:4
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder oefening: elk door het defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.
2 Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel, tenzij deze arbeid wordt verricht:
a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede in de gevallen genoemd in artikel 71 van Pro het Wetboek van Militair Strafrecht;
ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
in door Onze Minister van Defensie te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden bedoeld in de onderdelen a, b en c.
3 Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 4.3, niet van toepassing op arbeid verricht door defensiepersoneel:
a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Artikel 2:8
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing:
a. op arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat als bedoeld in de Mijnbouwwet;
op arbeid welke geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam aan boord van zeeschepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren;
op duikwerkzaamheden ten behoeve van mijnbouwinstallaties op het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet, verricht op of vanaf een zeeschip;
op arbeid, welke voor een in Nederland gevestigde werkgever, geheel of ten dele buiten Nederland wordt verricht door personen, werkzaam:
1°.aan boord van luchtvaartuigen;
2°.in of op motorrijtuigen;
3°.in of op spoorvoertuigen;
arbeid verricht binnen de exclusieve economische zone, met uitzondering van de arbeid, bedoeld onder a en c.
Artikel 5:16
1. Indien een werknemer naast het verrichten van arbeid in Nederland tevens buiten Nederland arbeid verricht, zorgt de in Nederland gevestigde werkgever ervoor, dat die werknemer geen arbeid verricht in strijd met deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2 De werknemer, bedoeld in het eerste lid, verstrekt aan de in Nederland gevestigde werkgever uit eigen beweging tijdig de voor de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen nodige inlichtingen betreffende zijn arbeid.

Politiewet

Artikel 4
1. Aan de Koninklijke marechaussee, die onder het beheer van Onze Minister van Defensie staat, zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:
(…)
d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, het bewaken en beveiligen van objecten en diensten en het waken over de veiligheid van aangewezen personen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c;
(…).
Artikel 42
1. Er zijn een of meer landelijke eenheden. Zij zijn belast met een of meer van de volgende taken:
(…)
c. het waken over de veiligheid van leden van het koninklijk huis en andere door Onze Minister aangewezen personen.
(…).

Voetnoten

1.Arbeidstijdenwet.
2.Algemeen militair ambtenarenreglement.
3.Dit besluit wordt op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dit beroep betrokken.
4.Artikel 2:4, tweede lid, aanhef en onder b, van de ATW.
5.Eiser wijst op het arrest Jaeger van het Europese Hof van Justitie, 9 september 2003, ECLI:EU:C:2003:437.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
8.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.