ECLI:NL:RBDHA:2026:9567
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek inverdientijd inzet Buitenlandse Zaken bij oude diensteinderegeling
Eiser, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee en tijdelijk ingezet bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, verzocht om zijn inzet mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd zodat hij eerder met leeftijdsontslag kan gaan. Verweerder wees dit verzoek af op grond van artikel 39c, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), omdat eiser deelneemt aan de oude diensteinderegeling.
Eiser betoogde dat het onderscheid tussen inzet onder het BZ-convenant en uitzending onterecht is en dat hij nog geen definitieve keuze had gemaakt voor de oude of nieuwe diensteinderegeling. De rechtbank stelde vast dat eiser op zitting aangaf te kiezen voor de oude regeling, waardoor het verzoek niet mogelijk is volgens de geldende regels.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd waarom buiten de AMAR-bepalingen om inverdientijd zou moeten worden toegekend. De regeling voor inverdienen is gekoppeld aan de nieuwe diensteinderegeling die een hogere ontslagleeftijd kent dan de oude regeling. Het beroep is ongegrond verklaard, waardoor verweerder terecht het verzoek heeft afgewezen en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om inverdientijd wordt bekrachtigd.