Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
24/9372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39a AMARArt. 39c AMARHoofdstuk 7 AMARArbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek inverdientijd inzet Buitenlandse Zaken bij oude diensteinderegeling

Eiser, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee en tijdelijk ingezet bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, verzocht om zijn inzet mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd zodat hij eerder met leeftijdsontslag kan gaan. Verweerder wees dit verzoek af op grond van artikel 39c, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), omdat eiser deelneemt aan de oude diensteinderegeling.

Eiser betoogde dat het onderscheid tussen inzet onder het BZ-convenant en uitzending onterecht is en dat hij nog geen definitieve keuze had gemaakt voor de oude of nieuwe diensteinderegeling. De rechtbank stelde vast dat eiser op zitting aangaf te kiezen voor de oude regeling, waardoor het verzoek niet mogelijk is volgens de geldende regels.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd waarom buiten de AMAR-bepalingen om inverdientijd zou moeten worden toegekend. De regeling voor inverdienen is gekoppeld aan de nieuwe diensteinderegeling die een hogere ontslagleeftijd kent dan de oude regeling. Het beroep is ongegrond verklaard, waardoor verweerder terecht het verzoek heeft afgewezen en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om inverdientijd wordt bekrachtigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9372
uitspraak van de meervoudige militaire ambtenarenkamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.C. Coppens),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Rikhof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om te mogen inverdienen voor zijn inzet voor het ministerie van Buitenlandse Zaken.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is werkzaam bij [onderdeel] van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarbij is hij meermaals tijdelijk tewerkgesteld bij het ministerie van Buitenlandse Zaken om hoog risico vertegenwoordigingen in het buitenland het personeel van Buitenlandse Zaken te beveiligen/ondersteunen. Dit wordt gedaan op basis van het zogenoemde BZ-convenant tussen Defensie en Buitenlandse Zaken. Op 10 maart 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om zijn inzet voor Buitenlandse Zaken mee te laten tellen voor de opbouw van inverdientijd. Dat wil zeggen dat eiser op een eerder moment met leeftijdsontslag zou kunnen gaan. Bij Defensie spelen nog tientallen procedures waarin eenzelfde soort aanvraag gedaan is.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 39c, vierde lid, van het AMAR [1] . Eiser neemt namelijk deel aan de oude diensteinderegeling, waardoor het niet mogelijk is om ook gebruik te maken van de regeling voor inverdienen uit artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR. Aan eiser wordt op grond van artikel 39a, tweede lid, van het AMAR, ontslag verleend op 31 augustus 2027 omdat hij eerder die maand de leeftijd van 60 jaar bereikt.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat hij los van de vraag of hij deel neemt aan de oude of de nieuwe diensteinderegeling, recht heeft op inverdientijd voor zijn werkzaamheden onder het BZ-convenant. Het is voor eiser onbegrijpelijk dat inverdienen wel mogelijk was en is als je op uitzending gaat, maar niet voor het werk onder het BZ-convenant. Deze werkzaamheden verschillen niet, aldus eiser. Daarmee wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Tot slot merkt eiser op dat hij nog geen definitieve keuze gemaakt heeft voor de oude of de nieuwe diensteinderegeling. Verweerder werpt hem dan ook ten onrechte artikel 39c, vierde lid, van het AMAR tegen.
Wat zijn de regels?
5. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat eiser op zitting desgevraagd heeft aangegeven dat zijn keuze momenteel staat op de oude diensteinderegeling. Daarmee valt eiser onder artikel 39c, vierde lid, van het AMAR, zodat verweerder terecht heeft besloten dat eiser niet kan inverdienen onder artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR. Dat eiser mogelijk in de toekomst een andere keuze maakt in het type diensteinderegeling laat onverlet dat het met de huidige stand van zaken niet mogelijk is om in te verdienen onder artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR.
7. Voor eisers impliciete verzoek om buiten de bepalingen van het AMAR om het inverdienen mogelijk te maken heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende motivering gegeven. Zoals verweerder ter zitting heeft verduidelijkt is artikel 39c, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR ontstaan met de invoering van nieuwe diensteinderegeling in 2017. Bij die nieuwe diensteinderegeling wordt de ontslagleeftijd gekoppeld aan de AOW leeftijd. Daarmee heeft de nieuwe diensteinderegeling een hogere ontslagleeftijd dan de oude diensteinderegeling waar je op je zestigste met leeftijdsontslag kon. Het is daarbij echter wel mogelijk om in te verdienen als je ten minste 7 aaneengesloten dagen buiten Nederland werkzaamheden hebt verricht onder omstandigheden waarbij de beschermende bepalingen van de ATW of hoofdstuk 7 van het AMAR niet van toepassing zijn. Deze mogelijkheid is er niet voor militairen die kiezen voor de oude diensteinderegeling en daarmee dus al met zestig jaar met leeftijdsontslag gaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht eisers verzoek heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzitter, en mr. C.W. Griffioen, lid en kolonel b.d. mr. F.A. Kooloos (militair lid), leden, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage

Algemeen militair ambtenarenreglement

Artikel 39c. Verlaging van de ontslagleeftijd wegens arbeid als militair onder bepaalde omstandigheden
1. De voor een militair met toepassing van artikel 39, tweede lid onderdeel a, of artikel 39a, eerste tot en met vierde lid, vastgestelde datum van leeftijdsontslag wordt op aanvraag van deze militair vervroegd in verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in het kader van een vredes- of humanitaire operatie, of het anderszins hebben verricht van arbeid onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.
2 De in het eerste lid bedoelde vervroeging bedraagt ten hoogste:
a. één derde van de tijd die vanaf 1 januari 1990 tot en met 31 december 2007 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht;
de helft van de tijd die vanaf 1 januari 2008 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht; en
de helft van de tijd vanaf 1 januari 2017 waarbij de militair voor ten minste zeven aaneengesloten dagen arbeid heeft verricht onder omstandigheden waarbij de bepalingen van de Arbeidstijdenwet of van hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing waren.
3 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt door de militair ten minste achttien maanden vóór de door de militair beoogde datum van leeftijdsontslag bij het bevoegde gezag ingediend.
4 Op militairen aan wie op aanvraag leeftijdsontslag wordt verleend als bedoeld in artikel 39a, is het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing. De verlaging van de ontslagleeftijd voor deze militairen bedraagt maximaal twee jaren terwijl de ontslagleeftijd niet lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.

Voetnoten

1.Algemeen militair ambtenarenreglement.