Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 28 februari 2025 en had zes maanden de tijd om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 2 december 2025 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 17 april 2026. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.