Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.52659
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31, zesde lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Zimbabwe wegens onvoldoende geloofwaardigheid en bewijs

Eiseres uit Zimbabwe diende op 17 januari 2023 een asielaanvraag in, die door de minister op 1 oktober 2025 werd afgewezen. Zij vreesde vervolging door jongeren gelieerd aan de regeringspartij Zanu-PF vanwege vermeende oppositieactiviteiten. Eiseres voerde trauma's aan die haar verklaringen tijdens de procedure zouden hebben beïnvloed en overhandigde aanvullend relaas en verklaringen van derden.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen aanleiding zag om nader gehoor te verrichten of het besluit in te trekken, omdat het medisch advies geen beperkingen voor het horen aangaf en het aanvullende relaas inhoudelijk tegenstrijdig was met eerdere verklaringen. De verklaringen van derden werden niet als objectief bewijs erkend en de minister mocht deze wegens tegenstrijdigheden negeren.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe foto’s in handen van de Zanu-PF waren gekomen, en dat haar relaas grotendeels gebaseerd was op vermoedens en horen zeggen. De legale uitreis zonder problemen ondermijnde de geloofwaardigheid van haar verhaal. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid en bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52659

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 17 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat toen zij voor onderwijs in Nederland was, een groep jongeren gelieerd aan de regeringspartij Zanu-PF bij haar thuis zijn langsgekomen op zoek naar haar. Eiseres wordt op basis van een aantal punten en bewijsstukken door hen verdacht aanhanger te zijn van de oppositiepartij CCC. Bij terugkeer naar Zimbabwe vreest eiseres gedood te worden door jongeren van de Zanu-PF.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging;
Toegedichte betrokkenheid bij een politieke oppositiepartij en daaruit voortkomende problemen.
Volgens de minister zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals haar politieke overtuiging. De toegedichte betrokkenheid bij een oppositiepartij en de daaruit voortkomende problemen zijn volgens de minister niet geloofwaardig.
Moest de minister het aanvullende asielrelaas betrekken?
5. Eiseres is dermate getraumatiseerd dat zij hetgeen haar is overkomen heeft weggestopt en hierover niet volledig heeft kunnen verklaren tijdens de gehoren bij de minister. Inmiddels ontvangt eiseres hier ten lande behandeling voor haar problemen zodat zij in een vertrouwde omgeving heeft kunnen verklaren wat haar is overkomen in Zimbabwe, maar nog niet in het gehoor staat. Dit in de gronden van beroep opgenomen aanvullende relaas dient door de minister te worden betrokken in de beoordeling en de minister had eiseres hierover aanvullend moeten horen. Reeds hierom dient de beschikking te worden ingetrokken, aldus eiseres.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er gedurende de besluitvorming geen aanleiding was om eiseres nader te horen.
5.2.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister in het aanvullende relaas geen aanleiding heeft hoeven zien om eiseres nader te horen of de beschikking in te trekken. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het medische advies van 13 november 2024 blijkt dat er sprake is van medische klachten, maar dat deze geen beperkingen opleveren voor wat betreft het horen. Het uitgangspunt moet daarom ook zijn dat eiseres ten volle in staat was om haar asielrelaas naar voren te brengen, en dat ook verwacht mag worden dat zij dit doet in de daarvoor bedoelde gehoren. Dit laat geen ruimte voor een in de beroepsfase overleggen van een aanvullend relaas op gronden dat eiseres in de besluitvormingsfase niet heeft kunnen verklaren vanwege trauma’s.
5.3.
In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat van bovengenoemd uitgangspunt afgeweken had moeten worden. Eiseres heeft niet met medische stukken onderbouwd dat sprake is van trauma’s of dat deze trauma’s haar vermogen om tijdens de gehoren te verklaren mogelijk hebben beïnvloed. De minister merkt terecht op dat de overgelegde verklaring van het GZA voornamelijk een weergave is van de klachten die eiseres zelf beschrijft. Dit is onvoldoende.
5.4.
Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat de minister zorgvuldigheid heeft betracht door niet enkel te kijken naar het moment waarop eiseres met haar aanvullingen komt, maar ook naar wat die aanvullingen inhoudelijk zijn. In dat kader overweegt de minister niet ten onrechte dat de verklaringen in het aanvullende relaas op punten diametraal tegenover de verklaringen uit het nader gehoor staan en daarom niet kunnen bijdragen aan een verdere beoordeling van het asielmotief. De rechtbank volstaat op dat punt met een verwijzing naar de motivering zoals neergelegd in het verweer en de conclusie dat ook op dit punt geldt dat de enkele stelling dat dit zich laat verklaren door trauma’s, onvoldoende is.
5.5.
Aangenomen mag worden dat het nader gehoor - al dan niet met behulp van de gemachtigde van eiseres – is voorbereid. Gezien het medische advies en bij gebrek aan (medische) stukken waaruit het tegendeel blijkt, moet eiseres in staat worden geacht tijdens het nader gehoor haar volledige relaas naar voren te hebben kunnen brengen. De minister heeft daarom kunnen uitgaan van de verklaringen gegeven in dat gehoor en heeft in het aanvullende relaas, mede gelet op de inhoudelijke tegenstellingen met het nader gehoor, geen aanleiding hoeven zien om eiseres nader te horen of het besluit in te trekken. Voor dat oordeel ziet de rechtbank ook in de door eiseres aangehaalde jurisprudentie, geen aanleiding.
Heeft de minister kunnen stellen dat eiseres haar relaas niet heeft onderbouwd met objectieve documenten?
6. Eiseres heeft in beroep de volgende stukken overgelegd:
  • Kopie lidmaatschapskaart van de MDC;
  • Verklaring van [naam 2] (member of parliament);
  • Verklaring van [naam 3] (counselor);
  • Verklaring van buurvrouw Zisengwe;
  • Verklaring van de ‘cousin sister’.
6.1.
Eiseres is van mening dat zij met de verklaringen aanvullend bewijs heeft geleverd van haar activiteiten voor de MDC/CCC als ook voor de problemen die zij hierdoor heeft ondervonden.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres overgelegde verklaringen, verklaringen van derden betreffen. Dit zijn geen objectieve documenten in de zin van artikel 31, zesde lid, Vw en aan deze verklaringen kan dan ook niet het gewicht toekomen dat eiseres wil.
6.3.
In zoverre eiseres stelt dat de verklaringen dienen als ondersteunend bewijs, oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte concludeert dat deze verklaringen wegens ongerijmdheden en tegenstrijdigheden, de beoordeling van eiseres haar relaas niet anders maken. In dat kader volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de motivering zoals neergelegd in het verweerschrift. De minister heeft geen waarde aan de verklaringen hoeven toekennen.
Heeft de minister kunnen concluderen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, onder c, Vw)?
Verklaringen gebaseerd op vermoedens en horen zeggen
7. Met betrekking tot het lekken van de foto’s herhaalt eiseres dat de foto’s gelekt zijn en dat zij niet weet door wie omdat zij in Nederland was. Eiseres weet van haar nichtzus dat de foto’s zijn gelekt omdat deze zijn getoond bij de inval. De manier waarop ze in handen zijn gekomen van de Zanu-PF is ondergeschikt aan het feit dat dit het geval is en wat dit voor gevolgen heeft voor eiseres. Het is onduidelijk wat de minister eiseres hier verwijt, nu onduidelijk is hoe zij moet bewijzen dat Zanu-PF in het bezit is gekomen van deze foto’s, anders dan met verklaringen van derden. Eiseres verkeert in bewijsnood.
7.1.
De minister overweegt dat eiseres heeft verklaard dat alle foto’s die door de jongeren van de Zanu-PF aan haar nichtzus zijn getoond als bewijs voor hun verdenkingen, uit eiseres haar ‘privébezit’ of ‘persoonlijke collectie’ kwamen. [2] Niet valt in te zien hoe of dat de Zanu-PF dan in het bezit hadden kunnen komen van deze foto’s. Met eiseres haar verklaringen dat zij zelf ook niet weet ‘wie deze foto’s heeft gelekt’ doet zij vermoeden dat deze foto’s dus aan hen gelekt zouden zijn. [3] Indien deze foto’s echter daadwerkelijk uitzonderlijk voor eiseres haar ‘privébezit’ zouden zijn geweest, is het ook niet mogelijk dat zij ‘gelekt’ zouden zijn.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat eiseres niet concreet heeft kunnen maken hoe de foto’s in handen van de Zanu-PF zijn gekomen. De verklaringen van eiseres dat deze foto’s slechts in privébezit waren zijn niet verenigbaar met haar verklaring dat zij niet weet wie de foto’s gelekt heeft. Eiseres heeft ook geen andere verklaring kunnen geven en de minister heeft dit daarom als zodanig kunnen betrekken bij zijn tegenwerping dat eiseres haar verklaringen zijn gebaseerd op vermoedens en horen zeggen. Dat de manier waarop de foto’s in handen zijn gekomen van de Zanu-PF ondergeschikt is aan het feit dat dit het geval is en wat dit voor gevolgen heeft voor eiseres, volgt de rechtbank niet. In het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling is immers relevant of eiseres haar relaas concreet en aannemelijk kan maken. Pas als die geloofwaardigheid vaststaat, kunnen eventuele gevolgen bij terugkeer worden beoordeeld. [4] In zoverre eiseres stelt dat zij in bewijsnood verkeert, overweegt de rechtbank dat dit in zijn algemeenheid het geval is wanneer wordt overgegaan tot een beoordeling als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw. Daar wordt gekeken of eiseres ondanks deze bewijsnood gevolgd kan worden in haar relaas; de vraag of eiseres in bewijsnood verkeert is bij die beoordeling op zichzelf dan ook niet relevant en hoeft niet als zodanig meegewogen te worden.
7.3.
Voor wat betreft het bezoeken van politieke tegenstanders thuis door de Zanu-PF herhaalt eiseres dat dit de modus operandi van de Zanu-PF is, zoals ook blijkt uit de door haar in de zienwijze aangehaalde bronnen. Eiseres heeft hierbij ook voorbeelden aangehaald van vergelijkbare gevallen waarin de Zanu-PF tegenstanders uit de weg ruimt, evenals vergelijkbare gevallen van o.a. [naam 4] en [naam 5].
7.4.
De minister overweegt dat nergens uit eiseres haar verklaringen over de gebeurtenissen bij haar thuis blijkt dat zij zich baseert op iets anders dan vermoedens of horen zeggen van eiseres haar nichtzus. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiseres screenshots van (online) gesprekken met haar nichtzus. Naast het feit dat de datums hierbij niet overeenkomen met eiseres haar eigen verklaringen tonen deze gesprekken op zichzelf niet aan dat deze gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Er wordt immers enkel door eiseres haar nichtzus beschreven wat er gebeurd zou zijn, zonder dat dit op wat voor manier dan ook wordt aangetoond of onderbouwd. Aangezien verder nergens uit blijkt dat eiseres haar verklaringen hierover op iets anders baseert dan enkel de gesprekken met haar nichtzus, baseert eiseres zich dus alleen op vermoedens en horen zeggen. Dit wordt eiseres aangerekend nu dit de kern vormt van haar asielrelaas.
7.5.
De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiseres haar verklaringen over de inval enkel zijn gebaseerd op vermoedens en horen zeggen. Eiseres legt hier enkel verklaringen van haar nichtzus aan ten grondslag en dat uit openbare bronnen volgt dat het vaker voorkomt dat de Zanu-PF politieke tegenstanders van de CCC thuis bezoekt, wil nog niet zeggen dat dit ook bij eiseres daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat de verwijzingen naar de zaken van [naam 5] als [naam 4] en [naam 6] weinig relatie hebben nu zij openlijk activistisch waren terwijl eiseres aangeeft zich nooit openlijk politiek uitgesproken te hebben of actief te zijn geweest. [5] De minister heeft voorgaande kunnen betrekken bij de tegenwering dat eiseres haar verklaringen zijn gebaseerd op vermoedens en horen zeggen.
Verklaringen en data overgelegde (online) gesprekken
8. Eiseres heeft in de zienswijze uitvoerig uitgelegd hoe de gesprekken met haar nichtzus zijn verlopen. De minister komt in het bestreden besluit niet verder dan een verwijzing naar het voornemen. Feitelijk gaat de minister in de bestreden beschikking dan ook niet in op de toelichting die eiseres heeft gegeven. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd, aldus eiseres.
8.1.
De minister overweegt dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zij op 5 juli 2022 van haar nichtzus hoorde dat de jongeren van de Zanu-PF bij haar langs geweest waren. [6] Op de screenshots die eiseres heeft overgelegd zijn echter alleen de datums 15 juli 2022 en 21 maart 2023 te zien. Zodoende kan niet zonder meer worden aangenomen dat deze gesprekken met eiseres haar nichtzus daadwerkelijk op de door eiseres genoemde data plaatsvonden. Eiseres verklaart zelfs dat het bericht van 21 maart 2023 als ‘eerste bericht’ moet worden gezien. [7] Dit zou inderdaad kunnen kloppen met de inhoud van dit bericht, waarin eiseres haar nichtzus aangeeft dat ‘gisteren de jeugd van Zanu-PF’ bij haar thuis is geweest. [8] Eiseres verklaart echter dat dit op 5 juli 2022 gebeurde en heeft het verder nergens in het gehoor over gebeurtenissen in maart 2023.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiseres ten onrechte tegenwerpt niet te hebben verklaard over een tweede inval in maart 2023. Eiseres heeft verklaard [9] dat haar nichtzus mishandeld is omdat de jongeren achter eiseres haar asielaanvraag zijn gekomen. In dat verband wordt ook het WhatsApp bericht van 21 maart 2023 aangehaald. Hoewel deze verklaring wellicht uit het niets komt, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de verslaglegging van het nader gehoor op logische wijze dat het hier gaat om een
een op zichzelf staande gebeurtenis ten opzichte van de initiële bedreiging. Eiseres stelt immers dat de belagers er achter waren gekomen dat zij een asielaanvraag heeft gedaan, terwijl de initiële inval juist aanleiding was voor die asielaanvraag. Dat eiseres nergens verklaart over gebeurtenissen uit maart 2023 is in zoverre dan ook onjuist. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat eiseres is afgebroken in haar vrije relaas en wellicht niet eerder aan dit punt is toegekomen.
8.3.
De rechtbank overweegt daarnaast dat tijdens het nader gehoor reeds verwarring is over de volgorde van de screenshots. [10] Dat eiseres de volgorde van de screenshots verwisselde was zo evident dat de hoormedewerker eiseres heeft laten weten dat de volgorde niet juist kan zijn en eiseres in staat heeft gesteld om de screenshots te sorteren. De op juiste volgorde genummerde screenshots zijn vervolgens als bijlage opgenomen bij het verslag van het nader gehoor. Gezien deze evidente verwarring heeft de minister eiseres niet onverkort kunnen tegenwerpen dat zij, alvorens de screenshots op de goede volgorde te leggen, heeft verklaard dat het bericht van 21 maart 2023 als eerste moet worden gezien.
8.4.
Hoewel de minister de discrepantie tussen de verklaringen over 5 juli en het screenshot van 15 juli terecht opmerkt, is dit naar het oordeel van de rechtbank en bezien in het licht van voorgaande onvoldoende om de tegenwerping stand te laten houden. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister niet heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres haar verklaringen tegenstrijdig zijn met de door haar overgelegde screenshots.
Legale uitreis
9. Eiseres vermoedt op het moment van uitreizen nog niet als verrader te zijn aangemerkt waardoor dit mogelijk was, het blijft echter gissen. Opvallend is dat de minister eerst in het voornemen de legale uitreis tegenwerpt en als eiseres hierover dan duidelijkheid verstrekt en aangeeft dat zij ‘denkt’ nog niet als verrader gezien te zijn op dat moment maar feitelijk “niet weet’ waarom de legale uitreis mogelijk was, haar dit wordt tegengeworpen als tegenstijdigheid terwijl het een nadere uitleg, weergave van vermoedens is van eiseres, iets waar de minister zelf expliciet naar op zoek is.
9.1.
De minister overweegt dat eiseres heeft verklaard zonder problemen, legaal en met een visum van Zimbabwe naar Nederland gereisd te zijn. [11] Niet valt in te zien dat eiseres dit in die periode gelukt zou zijn als zij vervolgens slechts drie dagen later door de regeringspartij Zanu-PF gezocht werd op basis van meerdere ‘aanklachten’ of verdenkingen. Deze verdenkingen zijn immers gebaseerd op gebeurtenissen die daarvoor reeds hadden plaatsgevonden. Zodoende impliceert de legale uitreis zonder problemen dat eiseres niet in de negatieve belangstelling stond van de autoriteiten.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling heeft kunnen betrekken dat eiseres geen problemen heeft ondervonden tijdens haar uitreis. De verklaringen van eiseres rechtvaardigen de verwachting dat dit wel het geval zou zijn en nu dit niet zo is, doet dit af aan de aannemelijkheid van de verklaringen van eiseres. Dat het in theorie ook mogelijk is dat eiseres op het moment van uitreis nog niet in de negatieve aandacht stond, maakt dit niet anders.
Conclusie ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw
10. De rechtbank oordeelt dat de minister, ondanks het gestelde in overweging 8.4, sluitend heeft gemotiveerd waarom eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Haar verklaringen zijn slechts gebaseerd op vermoedens en horen zeggen en eiseres heeft geen problemen ondervonden tijdens haar uitreis.
Komt eiseres in aanmerking voor het traumatabeleid?
11. Eiseres legt tevens nog verklaringen van de GZA over waaruit volgt dat zij letsel heeft passend bij haar aanvullende relaas als ook het feit dat zij getraumatiseerd is door hetgeen haar is overkomen in Zimbabwe. Eiseres meent dan ook dat het traumatabeleid van de minister van toepassing is. Eiseres stelt dat het misbruik haar is aangedaan door een groepering waartegen de overheid geen bescherming kan of wil bieden.
11.1.
Ten aanzien van eiseres haar standpunt dat de verklaring van het GZA haar aanvullende relaas ondersteunt, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar r.o. 5.3. t/m 5.5. De minister heeft dit relaas niet hoeven betrekken. Omdat eiseres eerst in dit aanvullende relaas verklaart over het misbruik, heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat eiseres niet op die grond in aanmerking komt voor het traumatabeleid.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Nader gehoor, p. 7-8, 14
3.Nader gehoor, p. 8.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 juli 2010,
5.Nader gehoor, p. 12, 20-21.
6.Nader gehoor, p. 8.
7.Nader gehoor, p. 24.
8.Nader gehoor, p. 14.
9.Nader gehoor, p. 14.
10.Nader gehoor, p. 24.
11.Nader gehoor, p. 23-24; Aanmeldgehoor, p. 11-12.