Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.953 en NL25.954
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 VbArt. 3.20a VVArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid als zelfstandige, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het niet voldoen aan de voorwaarden, waaronder het ontbreken van een gedegen ondernemingsplan, onvoldoende inzicht in inkomsten en onvoldoende bewijs van relevante werkervaring.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres behandeld waarbij eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen, maar zelf niet is verschenen. Verweerder was niet aanwezig. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de stukken onvoldoende zijn om advies te vragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en dat de aanvraag terecht is afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende financiële onderbouwing heeft gegeven, zoals een gedetailleerd financieel plan en liquiditeitsprognose, en dat de marktanalyse te algemeen is. Ook ontbreekt een onderbouwing van de relevantie van de werkervaring en van de innovaties en investeringen die eiseres stelt te zullen doen.

Verder is geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiseres niet alle ontbrekende informatie heeft aangeleverd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak inmiddels is beslist.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.953 en NL25.954
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], [V-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en is zelf niet verschenen. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is van 22 oktober 2022 tot 22 oktober 2023 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning met als doel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Op 12 september 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend om het doel van haar verblijfsvergunning te wijzigen naar ‘arbeid in loondienst’. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen en verweerder heeft aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Op 25 juli 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige. De stukken die eiseres heeft overgelegd zijn onvoldoende om advies te vragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RvO) over de vraag of haar arbeid een wezenlijk Nederlands belang dient.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Volgens eiseres voldoet zij wel aan de gestelde criteria en heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de door haar overgelegde stukken. Eiseres vindt dat zij voldoende bewijsstukken heeft overgelegd om haar ondernemerschapservaring en werkervaring aan te tonen. Ook heeft zij haar ondernemingsplan voldoende onderbouwd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de opstartende onderneming van eiseres. Daarnaast kan de onderneming van eiseres een wezenlijke bijdrage leveren aan de Nederlandse economie. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de potentie van haar onderneming. Verder heeft verweerder ten onrechte geen aanleiding gezien om af te wijken van de beleidsregels vanwege bijzondere omstandigheden. Tot slot heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord in bezwaar.
Wat is het beoordelingskader?
5. Een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ kan worden verleend aan een persoon van buiten de Europese Unie die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend. [1] Verweerder beoordeelt dit aan de hand van een puntenstelsel, waarbij punten worden toegekend voor persoonlijke ervaring, ondernemingsplan, en toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie. [2] In bijlage 8a, behorend bij artikel 3.20a van het VV, en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc) is opgesomd welke stukken en gegevens overgelegd moeten worden. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder mag verlangen dat de aanvrager de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vc vereiste stukken overlegt, zoals een ondernemingsplan met een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de eigen dienst. [3]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres zonder voorlegging aan de RvO mocht afwijzen, omdat de overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten die zijn gesteld in de bijlage 8a en paragraaf B6/4.5 van de Vc. Zo heeft eiseres onvoldoende inzicht gegeven in haar inkomsten in de 12 maanden voorafgaand aan haar aanvraag. Eiseres heeft haar aanvraag namelijk ingediend in juli 2024, maar heeft enkel stukken overgelegd ter onderbouwing van haar inkomsten in 2022 en 2023. Ook heeft eiseres haar ondernemerschaps- en werkervaring onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft een aantal verklaringen van derden overgelegd, maar hieruit blijkt niet in welke mate de werkervaring relevant is voor de beoordeling van de aanvraag en bovendien ontbreekt een onderbouwing en nadere toelichting. Uit de aanbevelingsbrief van Albert Heijn, die weggelakte passages bevat zonder dat is toegelicht waarom, blijkt evenmin in hoeverre de verrichtte werkzaamheden van eiseres aansluiten bij de aard van haar voorgenomen onderneming. Verder ontbreken, nog los van de reeds wel of niet gemaakte kosten voor het opstarten van de onderneming, in het in bezwaar overgelegde herziene ondernemingsplan nog steeds essentiële financiële componenten zoals een gedetailleerd financieel plan en een liquiditeitsprognose voor de komende drie jaar, en is de financiële paragraaf niet opgesteld of geverifieerd door een onafhankelijke deskundige. Daarnaast is de marktanalyse te algemeen van aard en onvoldoende diepgaand. In de marktanalyse ontbreekt een koppeling tussen de geschetste algemene trends in de Nederlandse PR- en consultancysector en hoe de onderneming van eiseres daarop inspeelt of zich onderscheidt van andere bedrijven. Tot slot heeft eiseres geen schriftelijke bewijzen overgelegd om de door haar gestelde innovaties, arbeidscreatie of geplande investeringen te onderbouwen. Concluderend heeft verweerder alle door eiseres overgelegde documenten betrokken bij de besluitvorming en voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden.
7. Niet is gebleken van gevolgen voor eiseres die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen, waarin verweerder aanleiding had moeten zien om af te wijken van zijn beleid en haar aanvraag alsnog in te willigen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. Eiseres heeft in bezwaar niet alle ontbrekende informatie overgelegd, terwijl verweerder in het primaire besluit van 2 september 2024 duidelijk heeft aangegeven op welke punten de aanvraag van eiseres niet toereikend was. Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar daarom redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden dan afwijzing van de aanvraag.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [4]
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3.30, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb).
2.Artikel 3.20a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1685.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.