Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 6 april 2026 een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring opgelegd. Hij stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank behandelde de beroepen op 15 april 2026.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende toegelicht waren, en dat het risico op onttrekking daarmee was aangetoond. Het beroep van eiser dat hij zelf wilde vertrekken werd onvoldoende geacht, mede omdat hij eerder een terugkeerbesluit met vertrektermijn niet was nagekomen en onvoldoende middelen had om zelfstandig te reizen.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde eiser dat dit onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank stelde vast dat het inreisverbod terecht was opgelegd omdat eiser niet binnen de gestelde termijn vertrok en geen omstandigheden had gesteld die tot verkorting of afzien van het verbod leidden.
De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.