Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL26.12450
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland en geen afhankelijkheidsrelatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde een bijzondere afhankelijkheidsrelatie te hebben met zijn zus in Nederland, die hem mentaal en fysiek ondersteunt vanwege zijn jonge leeftijd en gezondheidsproblemen. De rechtbank oordeelde dat deze relatie onvoldoende concreet en niet van dien aard is dat Nederland verantwoordelijk moet zijn volgens artikel 16 van Pro de Dublinverordening.

Daarnaast voerde eiser aan dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid niet zorgvuldig had gebruikt en dat medische redenen een overdracht naar Duitsland zouden moeten verhinderen. De rechtbank vond dat de minister dit besluit zorgvuldig had genomen en dat er geen medische gronden waren om de overdracht te weigeren.

De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12450

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer S. Mahed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Artikel 16 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser stelt dat hij een bijzondere afhankelijkheidsrelatie heeft met zijn zus in Nederland die hij gevonden heeft via de organisatie VluchtelingenWerk Nederland. Zijn zus is zijn enige familielid in Europa en geeft hem veel steun. Deze steun is voor eiser onmisbaar vanwege zijn zeer jonge leeftijd (18 jaar) en zijn lichamelijke en geestelijke problemen. In een door zijn zus opgemaakte verklaring heeft zij over de bijzondere band en de noodzaak voor haar bijstand geschreven. Hierin heeft zij – samengevat – verklaard dat hun relatie erg belangrijk is, omdat zij elkaars enige familieleden zijn in Europa. Ook geeft ze daarin aan dat eiser moeilijke en gevaarlijke dingen heeft meegemaakt en dat hij problemen heeft met Al-Shabaab. In de tijd dat ze geen contact hadden, was ze bang dat eiser mogelijk zou zijn overleden. Verder geeft ze aan dat eiser emotioneel en psychisch lijdt en hij nog steeds pijn heeft aan zijn hand. Eiser heeft ook tegen zijn zus gezegd dat hij zichzelf in Duitsland wilde verwonden, omdat hij emotionele pijn ervaarde. De zus van eiser probeert hem te steunen door naar hem te luisteren, hem aan te moedigen en emotioneel bij te staan. Ze gelooft dat haar aanwezigheid en steun hem helpen om sterk te blijven tijdens moeilijke tijden. Het geeft hem hoop en stabiliteit. Tot slot verklaart ze dat ze zich zorgen maakt als eiser terug moet naar Duitsland. Ze is bang dat als hij van haar gescheiden wordt, het effect zal hebben op zijn mentale gezondheid en het hem in een gevaarlijke situatie zou kunnen brengen. Het is erg belangrijk voor eisers emotionele staat, veiligheid, genezing en medische zorg dat zij dicht bij elkaar blijven. Als eiser naar Duitsland wordt overgedragen, zal hij deze noodzakelijke steun niet meer van haar kunnen ontvangen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in eisers situatie geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Het enkele feit dat eiser 18 jaar is en een zus heeft in Nederland die hem mentaal en fysiek kan steunen, is daarvoor onvoldoende. Uit de verklaring van eisers zus blijkt niet dat eiser afhankelijk is van haar hulp, welke concrete hulp dit zou zijn en dat die benodigde hulp enkel door haar geleverd kan worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat eiser geen hulp ontvangt in de verzorging, maar dat een gesprek met zijn zus en haar nabijheid belangrijk en helend voor hem zijn in het kader van zijn psychische problemen die komen door zijn ervaringen in Duitsland, Polen en Somalië. Hoewel het op zichzelf begrijpelijk is dat eiser het fijn en helpend vindt dat zijn zus dichtbij is, is dat onvoldoende om te spreken van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van voornoemd artikel. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser ten tijde van het aanmeldgehoor niet wist waar zijn zus woonde en haar alleen had gesproken en niet had gezien en dat zij ook langere tijd geen enkel contact hadden gehad. Verder heeft eiser verklaard lichamelijke en geestelijke problemen te hebben, maar naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de medische stukken onvoldoende dat er sprake is van een ernstige ziekte of zware handicap zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert aan dat de minister zijn besluit om geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [3] Eiser heeft zowel medische als psychische klachten en is doorverwezen naar een psycholoog via GZA. [4] In Nederland heeft hij de goede psychische en medische zorg. Overdracht kan dan ook niet plaatsvinden voordat medische advies is gevraagd. Eiser is verder aan te merken als kwetsbare asielzoeker vanwege zijn jonge leeftijd (18 jaar) en heeft een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn zus in Nederland.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het bestreden besluit zorgvuldig heeft voorbereid en daarin deugdelijk heeft gemotiveerd en niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser meent dat zijn medische en psychische klachten een reden zijn om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen, oordeelt de rechtbank dat hij niet heeft onderbouwd dat hij geen behandeling in Duitsland kan ondergaan. Zoals de minister ter zitting terecht heeft aangevoerd, blijkt uit de medische stukken zelfs dat er in Duitsland voor zijn linkerarm een operatie was voorgesteld naar aanleiding van een CT-scan en dat hij daar psychologische hulp heeft ontvangen. Dat volgens eiser de psychologische hulp weinig effect had, doet daar niets aan af omdat de hulp wel beschikbaar is voor eiser en niet is gesteld of geconcretiseerd dat het gebrek aan effect komt door gebrekkige zorg. Ook heeft eiser niet aangetoond dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. Er is dan ook geen medisch advies vereist voor de overdracht. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.1 al geoordeeld dat eiser geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie aannemelijk heeft gemaakt met zijn zus in Nederland. Verder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als bijzonder kwetsbaar is aan te merken. Dat eiser 18 jaar is, is namelijk onvoldoende voor dit oordeel en verder heeft eiser dit ook onvoldoende aannemelijk gemaakt met wat hij heeft aangevoerd over zijn geestelijke en lichamelijke klachten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat ook moet worden meegewogen dat eiser is afgewezen in Duitsland, hij een herhaalde asielaanvraag zal moeten doen, dat eiser binnen een korte tijd in Duitsland een advocaat moet regelen en dat meerderjarigen meestal in detentie worden geplaatst. Dit, ook wanneer het wordt bezien in samenhang met eisers leeftijd, zijn band met zijn zus in Nederland en zijn medische klachten, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van onevenredige hardheid door hem naar Duitsland over te dragen. Daarbij is mede van belang dat moet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en onder meer de Duitse asiel- en klachtenprocedures en gezondheidszorg met afdoende waarborgen zijn omkleed. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 10 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.
4.GezondheidsZorg Asielzoekers.