Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
09/254406-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak invoer cocaïne, veroordeling voor bezit en handel in grote hoeveelheden cocaïne

De rechtbank Den Haag heeft op 22 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van invoer, bezit en handel in cocaïne. De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van invoer van circa 1624 kilogram cocaïne, omdat dit niet wettig en overtuigend kon worden bewezen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte in vereniging met anderen op 8 december 2021 ongeveer 1624 kilogram cocaïne aanwezig had en dat hij tussen 24 november 2019 en 11 juni 2020 ongeveer 121 kilogram cocaïne in vereniging verhandelde. Dit werd onderbouwd met uitgebreide chatgesprekken via Signal en SkyECC, foto- en videomateriaal van de drugs, en overeenkomsten met onderschepte zendingen die getest waren op cocaïne.

De rechtbank wees het voorwaardelijk verzoek van de verdediging af om een medeverdachte als getuige te horen, omdat het overige bewijs voldoende was. De handel en het bezit van zulke grote hoeveelheden harddrugs werden als zeer ernstig beoordeeld, mede vanwege de maatschappelijke ontwrichting en de rol van verdachte als coördinator.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot zeven jaar gevangenisstraf en een geldboete van €100.000, met aftrek van voorarrest. De straf is passend geacht gezien de omvang van de drugs, de duur van de handel en het strafblad van verdachte. De rechtbank verklaarde het bewezen verklaarde strafbaar en strafbaar gesteld volgens de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en een geldboete van €100.000 voor bezit en handel in grote hoeveelheden cocaïne, vrijgesproken van invoer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/254406-25
Datum uitspraak: 22 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 december 2025 (regie) en 8 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.N. Weski naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 8 april 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in de periode van 7 december 2021 tot en met 8 december 2021 te Zoetermeer, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer (in totaal) 1624 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in de periode van 7 december 2021 tot en met 8 december 2021 te Zoetermeer, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1624 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op een of meerdere momenten in de periode van 24 november 2019 tot en met 11 juni
2020 te Zoetermeer, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 121 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Vrijspraak feit 1 primair
Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de invoer van cocaïne in de periode van 7 december 2021 tot en met 8 december 2021. De verdachte zal voor dit feit worden vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen voor feit 1 subsidiair en feit 2
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van onderzoek ‘KALEBAS’, onderzoeksnummer DHRAA25023, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 328).
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 subsidiair
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 oktober 2023, voor zover inhoudende (p. 271-272):
Ik, verbalisant, hoofdagent en werkzaam bij de Dienst Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid, verklaar het volgende:
Op woensdag 20 april 2022 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam 26Westham. Het onderzoek richtte zich op een toen nog onbekende verdachte (NN01). Tijdens het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat NN01 zeer waarschijnlijk kan worden aangeduid als:
Voornamen: [verdachte]
Achternaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1980
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Bij de aanhouding van [verdachte] werden in zijn fouillering meerdere telefoons aangetroffen. Een van de aangetroffen telefoons betrof een mobiele telefoon van het merk iPhone, type 12.
De volgende gegevens bleken aan het toestel gekoppeld:
Telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] betreft het getapte telefoonnummer van de verdachte [verdachte] . Uit de gesprekken bleek dat de verdachte [verdachte] ook daadwerkelijk de gebruiker was van dit nummer.
Op de telefoon bleken in ieder geval de navolgende chatapplicaties te zijn geïnstalleerd:
Applicatie
Gebruikersnaam
Whatsapp
[telefoonnummer 1]
Signal
[verdachte]
Telegram
[account 1]
Threema
[account 2]
Wickr
[account 3]
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 50-57):
Naar aanleiding van onderzoek PEEN werd verdachte [medeverdachte] op 15 februari 2022 aangehouden. Daarbij werd zijn telefoon in beslag genomen. Op de telefoon van [medeverdachte] was de communicatie-app Signal in gebruik. Het Signal gebruikersaccount [account 4] was van verdachte [medeverdachte] .
Op 7 december 2021 werd een Signal groepsgesprek aangemaakt. Aan dat groepsgesprek namen de onderstaande gebruikersaccounts deel:
1. [account 4]
2. [account 1] met telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
3. [account 5]
4. [account 6]
5. [account 7]
Op 7 december 2021 om 04.43 uur stuurt [account 1] dat de loods nodig is voor prep. [account 4] stuurt om 09.44 uur dat ze stand-by zijn. [account 4] schrijft om 11.42 uur dat 'tp' binnen is en laat hem loskoppelen en weg. [account 5] vraagt bij [huisnummer] toch? [account 4] zegt dat het blijkt dat 8 man meegaat en om 13.23 uur dat 'tp' kan terugkomen. Om 13.55 uur schrijft [account 4] dat de wagen is vertrokken.
Gelet op de context wordt vermoed dat met “tp", transport wordt bedoeld. Door [account 5] wordt gevraagd bij [huisnummer] toch. Hierbij wordt opgemerkt dat het autogaragebedrijf ‘ [bedrijf] ’ is gevestigd aan de [straat] [huisnummer] in [plaats 2] .
De volgende dag 8 december 2021 om 01.38 uur vraagt [account 1] of [account 4] onderweg is naar 'de loods'. [account 4] geeft aan dat dit het geval is. [account 5] schrijft dat er jongens aan komen. [account 4] vraagt hoeveel personen er nog komen. Voor die personen vroeg [account 5] de deur te openen. [account 4] schrijft totaal 6 personen ‘binnen’ te hebben. [account 4] vraagt ook hoe laat 'de wagen’ er is. [account 1] antwoordt 'komt er zo aan [account 4] ’ om 06.12 uur.
Uit het bovenstaande wordt zeer aannemelijk dat met ‘de loods’ wordt bedoeld het autogaragebedrijf ‘ [bedrijf] ’ gevestigd aan de [straat] [huisnummer] in [plaats 2] van verdachte [medeverdachte] . Er ontstaat een beeld
dat men in alle vroegte voorbereid op het ontvangst van een wagen in de loods van verdachte [medeverdachte] , en er meerdere personen nodig zijn voor de daaruit voortkomende werkzaamheden.
Om 07.51 uur wordt het groepsgesprek hervat. Er werden afspraken gemaakt dat het sorteren zal plaatsvinden en dat [account 4] foto's moet maken van de afgeleverde tassen. [account 4] laat weten dat 41 tassen eruit zijn gehaald en ‘tp’ vertrokken is. Vervolgens stuurt [account 4] een filmpje en een foto. Hierop zijn zwarte tassen te zien die liggen in de spuitcabine van het garagebedrijf van verdachte [medeverdachte] . Om 08.12 uur reageert [account 5] op het filmpje en de foto. Hij zegt dat er 1640 stuks totaal zijn en 'ze' moeten sorteren.
Om 08.16 uur wordt er afgesproken eerst te sorteren. Dat [account 1] 880 meeneemt. [account 1] vraagt hoe laat hij die kan ophalen en dat de ‘chauf’ startklaar is. [account 5] vraagt 295 rode pakketten apart te zetten met ‘vlam in de pan’. [account 1] zegt te weten dat dit toppers zijn. [account 5] geeft aan dat hij garantie op de spullen krijgt. Er wordt afgesproken wat klaargezet moet worden en dat het soort stempel niet uitmaakt. Maar dat [account 1] de rode pakketten goed vindt en dus rode pakketten krijgt.
Het bovenstaande impliceert dat de blokken een inhoud hebben die normaliter variërend zijn van kwaliteit. Het beeld ontstaat dat zowel [account 5] en [account 1] reageren op de uiterlijke kenmerken van de blokken en daaraan een bepaald waardeoordeel geven. Dit past naadloos in het beeld van de handel in cocaïne.
Om 08.48 uur zegt [account 7] 1624 blokken te tellen. Om 08.49 uur stuurt [account 7] een filmpje met daarop alle blokken zichtbaar gesorteerd en opgestapeld. [account 1] geeft aan dat zijn chauffeur er is en dat die 880 blokken meeneemt om 09.14 uur.
Om 09.16 uur stuurt [account 5] in de chat een foto van een briefje van vijf euro met het serienummer duidelijk zichtbaar. Ook [account 7] stuurt een briefje van vijf euro.
In het bovenstaande lijkt men in gespreksgroep gebruik te maken van tokens. Een briefje van vijf euro, specifieker het serienummer dat daarop staat is zo'n token. Het is een feit van algemene bekendheid dat tokens gebruikt worden in de underground banking om betalingen te doen in bijvoorbeeld de handel van cocaïne.
Om 17.36 uur maakt [account 5] een verdeling op. Afgesproken wordt dat [account 1] 109 restblokken ophaalt. Om 17.36 uur stuurt [account 5] een overzicht van afnemers en de afgenomen hoeveelheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Bewijsminimum
De eerste vraag die de rechtbank bij de beoordeling van de tenlastelegging moet beantwoorden, is of in deze zaak is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De verdediging heeft bepleit dat hieraan niet is voldaan, omdat het belastend bewijs alleen zou bestaan uit chatgesprekken afkomstig van Signal en SkyECC en die chatgesprekken allen uit dezelfde bron komen. De rechtbank volgt de verdediging hier niet in en overweegt daarover het volgende.
In het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de wetgever bepaald dat het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de beslissing over het bewijs, in die zin dat de bepaling de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de relevante feiten en omstandigheden uit één bron afkomstig zijn, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak geen sprake.
De bewijsmiddelen in deze zaak bestaan voor het grootste deel uit (ontsleutelde) chatgesprekken die zijn gevoerd via Signal en SkyECC. De rechtbank is van oordeel dat de verschillende transcripties van de chatgesprekken telkens ‘andere geschriften’ in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, Sv vormen en daarmee meerdere bewijsmiddelen opleveren die elkaar steunen. Het gaat immers om meerdere gesprekken op verschillende momenten in de tijd en bovendien om gesprekken tussen meerdere gebruikers. Zo wisselt de verdachte zelf berichten uit met verschillende gebruikers en bevinden zich in het dossier ook gesprekken tussen andere gebruikers dan de verdachte, welke verschillende gesprekken, voor zover relevant, voor het bewijs gebezigd worden. In die chatgesprekken worden ook diverse afbeeldingen en video’s verzonden, die de inhoud van de chatgesprekken ondersteunen. Daarmee is reeds aan het bewijsminimum voldaan. Daarnaast geldt dat ook van ander (steun-)bewijs dan de chatberichten sprake is, waaronder de foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon die in gebruik was bij de verdachte en processen-verbaal van bevindingen, onder meer met betrekking tot de identificatie van de verdachte.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Feit 1 subsidiair: medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de blokken die op de video van 8 december 2021 te zien zijn cocaïne bevatten. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld, nu de blokken door de opsporingsdiensten niet zijn aangetroffen en derhalve niet zijn getest.
De rechtbank acht, anders dan door de verdediging bepleit, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid van ongeveer 1624 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad. De rechtbank wijst op de vorm van de blokken die op de video van 8 december 2021 te zien waren, evenals de verpakkingen en stempels waarvan de blokken waren voorzien. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cocaïne in dergelijke blokken, gestempeld en op deze wijze zorgvuldig verpakt worden verhandeld en vervoerd. Uit het chatgesprek waarin de video is verstuurd en waarin overleg over de blokken werd gevoerd, blijkt niet dat de blokken in de loods van medeverdachte [medeverdachte] in [plaats 2] (opnieuw) zijn verpakt. Er wordt immers enkel gesproken over het sorteren, verdelen en afleveren van de blokken. Dit betekent dat de blokken, vóórdat zij in de loods van [medeverdachte] aankwamen en vastgelegd zijn op de video, op deze wijze verpakt waren. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de blokken dezelfde uiterlijke verschijningsvorm hebben als blokken die in diezelfde periode zijn onderschept door de douane. Zo zijn zij voorzien van dezelfde stempels en hetzelfde verpakkingsmateriaal. Deze onderschepte blokken zijn wel getest en hieruit volgde dat de blokken allen cocaïne bevatten. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door andere Signalgesprekken die in diezelfde periode zijn gevoerd door het account wat aan medeverdachte [medeverdachte] wordt toegeschreven. Hierin wordt door deze [medeverdachte] met tegencontact [account 8] gesproken over originele ‘colo’ (de rechtbank begrijpt (Colombiaanse) cocaïne), die conform de marktprijs in 2021 werd aangeboden.
Al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien, bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun voor het oordeel dat de blokken die in de video van 8 december 2021 te zien waren cocaïne betrof. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van cocaïne niet vereist dat de verdachte daar als heer en meester over moest kunnen beschikken. Voor het aanwezig hebben is niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft. Voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de (mede)verdachte(n) bevinden. Dat dit het geval was, blijkt naar het oordeel van de rechtbank evident uit de inhoud van het Signal groepsgesprek waarin de deelnemers, waaronder de verdachte, afspraken met elkaar maakten over de verdeling en de aflevering van de blokken, waarvan eerst 880 blokken en vervolgens 109 ‘restblokken’ naar de verdachte gingen.
Voorwaardelijk verzoek tot horen van getuige
De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om medeverdachte [medeverdachte] te horen als getuige over onder meer de rol van de verdachte en de aard van de stof in de blokken. De rechtbank acht het in het licht van het overige bewijs niet noodzakelijk om de medeverdachte als getuige te (doen) horen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst derhalve het voorwaardelijk verzoek af.
Feit 2: medeplegen van de handel in cocaïne
Gelet op de omstandigheden dat in de Sky-ECC gesprekken wordt gesproken over ‘blokken’, ‘colo’, de namen ‘covid’, ‘fiat’ en ‘LP11’ die overeenkomen met stempels op blokken cocaïne die zijn aangetroffen, en ‘27’ wat overeenkomst met een marktconforme prijs voor een kilogram cocaïne in 2020, is de rechtbank van oordeel dat in deze chatgesprekken werd gesproken over cocaïne. De in de genoemde chatgesprekken verstuurde afbeeldingen van blokken met de uiterlijke verschijningsvorm van blokken cocaïne, grote geldbedragen en tokens ondersteunen dit oordeel.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij
op8 december 2021 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1624 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op meerdere momenten in de periode van 24 november 2019 tot en met 11 juni
2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, ongeveer 121 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
Tekst

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van € 100.000,- subsidiair 358 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in geval van een veroordeling, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de omstandigheid dat het om oude feiten gaat en dat de verdachte zich in de tussenliggende periode niet schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging aanwezig hebben van ongeveer 1624 kilogram cocaïne en het handelen in cocaïne gedurende een periode van ruim zes maanden. De handel in harddrugs zoals cocaïne dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de (vaak jonge) gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs zoals cocaïne leidt bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en vormt zo een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Kennelijk heeft de verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.
Voor de handel en het bezit van dusdanig grote hoeveelheden van harddrugs is het passend dat lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. In de eerste plaats dient dit als vergelding voor de voornoemde ontwrichting van de maatschappij waar de verdachte (in)direct aan heeft bijgedragen. In de tweede plaats heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met drugscriminaliteit in te laten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de afgelopen vijf jaren tweemaal eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van meer dan 72 maanden voor het in georganiseerd verband verkopen, afleveren en vervoeren van meer dan 20 kilogram harddrugs, evenals een gevangenisstraf van meer dan 48 maanden voor het in georganiseerd verband aanwezig hebben van meer dan 20 kilogram harddrugs. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte (samen met anderen) meer dan tachtig keer zoveel harddrugs aanwezig heeft gehad ten opzichte van voornoemd uitgangspunt en dat hij zich over een langere periode bezig heeft gehouden met de handel in drugs in samenwerking met anderen, waarbij de verdachte een coördinerende en organiserende rol heeft gehad.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de grote hoeveelheden harddrugs en de rol van de verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal daarnaast een geldboete van € 100.000,- aan de verdachte opleggen, om de verdachte in zijn vermogen te treffen. Hoewel niet duidelijk is geworden wat de verdachte exact heeft verdiend met zijn bijdrage aan de drugshandel, biedt het dossier voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte daarvan aanzienlijk financieel voordeel heeft genoten. Daarnaast is het algemeen bekend dat met de drugshandel grote geldbedragen worden verdiend.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 23, 24 c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
7 (zeven) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een geldboete van
€ 100.000,- (zegge: honderdduizend euro);
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van
358 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. P. Figge, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.