ECLI:NL:RBDHA:2026:9633
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en twijfel terugkeer
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, vroeg op 3 maart 2023 een visum voor kort verblijf aan om zijn oom in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko.
Eiser voerde aan dat hij voldoende sociale en economische binding met Marokko heeft, onder meer door zijn langdurige verblijf, familiebanden en werk als automonteur. Hij stelde dat loonstroken en bankafschriften niet konden worden overlegd omdat zijn salaris contant werd betaald. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk in loondienst was en dat hij onvoldoende bewijs had geleverd van zijn economische en sociale binding.
De rechtbank overwoog dat de minister in redelijkheid mocht twijfelen aan het terugkeerperspectief van eiser, mede omdat hij geen partner of kinderen heeft waarvoor hij verantwoordelijk is en onvoldoende bewijs leverde van zorg voor familieleden. Ook het garantstellen door de referent en het Mobility Partnership tussen Marokko en de EU konden dit oordeel niet veranderen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht van horen in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Ook was het niet onjuist dat geen dwangsom werd toegekend wegens niet tijdig beslissen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen visum krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet toegekend.