AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen voor bouw schuur in natuurgebied
Eiseres, een verhuur- en aannemingsbedrijf, verzocht om een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur van 400 m² ter vervanging van een bestaande schuur op een perceel met de bestemming 'Natuur'. Het college en de gemeenteraad weigerden respectievelijk de vergunning en de verklaring van geen bedenkingen vanwege strijd met het bestemmingsplan en het ontbreken van een goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht aannam dat de schuur mede of uitsluitend zou worden gebruikt voor andere doeleinden dan toegestaan binnen de bestemming, namelijk voor opslag en stalling ten behoeve van het loon- en aannemingsbedrijf van eiseres. De plannen voor recreatief gebruik van de achterliggende percelen waren onvoldoende concreet en aannemelijk gemaakt.
Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de situatie van de naastgelegen percelen niet vergelijkbaar was, en het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2427
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. M.R. Plug)
en
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college,
(gemachtigde: mr. A. Scholtes van de Omgevingsdienst Midden-Holland).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een schuur van 400 m² ter plaatse van [adres 1] in [plaats 1] [1] en het besluit waarbij de raad van de gemeente Zuidplas (de raad) heeft geweigerd om een verklaring van geen bedenkingen [2] te verlenen.
1.1.
Aan de hand van de beroepsgronden die eiseres hiertegen heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Inleiding
2. Eiseres heeft een verhuur- en aannemingsbedrijf. Op 8 mei 2019 is voor haar een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur met een vloeroppervlak van 400 m² ter vervanging van een bestaande schuur met een vloeroppervlak van 285 m².
Procesverloop
3. Het college heeft op 19 november 2020 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd waarin het voornemen kenbaar is gemaakt om de omgevingsvergunning te weigeren vanwege strijd met artikel 8.1 en 8.2 van het bestemmingsplan. Omdat de raad een ontwerp-weigering van de verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven tegen het verlenen van de gevraagde vergunning, heeft het college ook kenbaar gemaakt niet voornemens te zijn om in afwijking van de planregels een omgevingsvergunning te verlenen.
3.1.
Eiseres heeft over het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren gebracht, waar het college op heeft gereageerd.
3.2.
Met het besluit van 25 januari 2022 (het bestreden besluit 1) heeft de raad geweigerd een verklaring van geen bedenkingen te verlenen.
3.3.
Met het besluit van 21 februari 2022 (het bestreden besluit 2) heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen.
3.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Het beroep is mede gericht tegen het bestreden besluit 2.
3.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.6.
Van eiseres is een stuk ingekomen.
3.7.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [naam], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 mei 2019, blijft in dit geval de Wabo van toepassing.
Toetsingskader
5. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Heeft het college kunnen aannemen dat de bouw en het gebruik van de schuur in strijd is met het bestemmingsplan?
6. Op het perceel ([perceelnummer]) rust de bestemming ‘Natuur’ als bedoeld in het [bestemmingsplan]. Niet in geschil is dat de bouw van de schuur in strijd is met de bouwvoorschriften van artikel 8, tweede lid, van het bestemmingsplan, nu ingevolge die bepaling uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht.
6.1.
De rechtbank moet verder beoordelen of het college redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat de schuur uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dat geval moet de schuur namelijk in strijd met de bestemming worden geoordeeld, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. [3]
6.2.
Het perceel is volgens de planregels bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische en/of cultuurhistorische waarde, agrarisch medegebruik voor zover dit ten dienste staat van het beheer van de betreffende natuurgebieden, kunstwerken, recreatief medegebruik, voet- en fietspaden en waterlopen en waterpartijen.
6.3.
Op het aanvraagformulier is onder ‘Bouwen’ en het kopje ‘Gebruik’ ingevuld: “Opslag en overslag van materialen, beplantingsmateriaal, stalling van materieel, machines etc.”. De aanvraag vermeldt verder: “(…) De op te richten schuur is bedoeld voor op- en overslag van materialen, beplantingsmateriaal, alsmede voor de stalling van materieel en machines en dergelijke. Zoals het college bekend is, houdt [eiseres] B.V. zich sinds 1990 (onder andere) op deze locatie bezig met onder meer het verhuren van machines en het aannemen en uitvoeren van werk op het gebied van de groenvoorziening en in de agrarische en cultuurtechnische sector. [eiseres] B.V. wenst een bestaande schuur op het perceel, met een oppervlakte van 258 m2, vervangen door een schuur van 400 m2.”
6.4.
De ruimtelijke onderbouwing volgend op de aanvraag vermeldt onder meer: “De achterliggende - in eigendom zijnde - landbouwgronden zijn bestemd en op grond van provinciale- en regionale beleidsstukken beoogd om in te worden gericht als ‘natuur’. Initiatiefnemer beoogt tezamen met de (her-)inrichting van het plangebied te voorzien in de aanleg van natuurelementen op dit landbouwperceel. Op deze wijze beoogt initiatiefnemer ook te voorzien in het bieden van recreatieve-toeristisch georiënteerde activiteiten bij de woning, te denken valt aan een rustpunt voor fietser / wandelaars een bed & breakfast c.q. ‘kamperen bij de boer’, etcetera, i.c.m. voorzieningen om een wandeling te maken door het in te richten gebied. Voormelde activiteiten (kantoor, opslag, toeristische-/ recreatief gebruik/voorzieningen, e.d.) leidden ertoe dat een bebouwing van circa 400 m2 benodigd is, in een stijl welke past bij de woning, maar ook een landelijke-, landschappelijke- en ruimtelijke uitstraling heeft, binnen het plangebied.”
6.5.
Eiseres stelt dat hieruit niet volgt dat de schuur niet uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van het loon- en aannemingsbedrijf en dat zij niet slechts beoogt om deze bedrijfsactiviteiten te legaliseren. De schuur zal immers hoofdzakelijk worden gebruikt ten behoeve van activiteiten die eiseres op de achterliggende percelen met de bestemming ‘Natuur’ wenst te ontwikkelen. Daarbij hoort onder andere het onderhoud van deze percelen. Het materiaal dat daarvoor gebruikt wordt zal in de schuur worden opgeslagen en zal ook worden gebruikt voor werkzaamheden op andere agrarische bedrijven.
6.6.
Bij de beoordeling van de aanvraag moet ervan worden uitgegaan dat het bouwwerk zal worden gebruikt op de wijze zoals omschreven is in de aanvraag. [4] De rechtbank is van oordeel dat het college daaruit kon afleiden dat eiseres de schuur wil gaan gebruiken voor opslag en overslag van materialen, beplantingsmateriaal en stalling van materieel en machines ten behoeve van zijn loon- en aannemingsbedrijf. Eiseres geeft in beroep ook aan dat hij die schuur ten dele daarvoor wil gebruiken. De in aanvulling op de aanvraag in de ruimtelijke onderbouwing gegeven nadere omschrijving maakt het voorgaande niet anders. Uit die ruimtelijke onderbouwing blijkt immers niet meer dan dat eiseres stelt van plan te zijn om aan de achterliggende percelen een recreatieve invulling te geven overeenkomstig de bestemming en dat de schuur ten dienste komt te staan daarvan. Elke concretisering van die plannen ontbreekt evenwel, ook in de nadere zienswijzebrief van 21 juni 2021, zoals door het college terecht is opgemerkt. De rechtbank stelt vast dat eiseres ook verschillende opties noemt, zoals het oprichten van een camping, het verhuren van wigwams, een bed & breakfast en volkstuintjes. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de schuur zal worden gebruikt ten behoeve van activiteiten die eiseres op de achterliggende percelen met de bestemming ‘Natuur’ wenst te ontwikkelen. Dat eiseres wil wachten met de concrete invulling van de activiteiten totdat de omgevingsvergunning voor de schuur verleend is haar keuze en kan niet tot een ander oordeel leiden.
6.7.
Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen aannemen dat de schuur uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet, namelijk voor op- en overslag van materialen, beplantingsmateriaal, alsmede voor de stalling van materieel en machines ten behoeve van de onderneming van eiseres. Dat eiseres (ook) werkzaamheden zou verrichten voor agrarische bedrijven, maakt niet dat haar onderneming om die reden wel in overeenstemming met de bestemming is, nu uitsluitend agrarisch medegebruik is toegestaan voor zover dit ten dienste staat van het beheer van de betreffende natuurgebieden en het recreatief medegebruik.
Heeft de raad de verklaring van geen bedenkingen kunnen weigeren?
7. De raad heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen te geven. In de eerste plaats omdat de bouw van een nieuwe schuur ten dienste van het loon- en aannemingsbedrijf van eiseres afbreuk doet aan kenmerken en waarden van deze gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland waar het perceel op grond van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit deel van uitmaakt. In de tweede plaats omdat het planologisch toekennen van een nieuwe bedrijfsactiviteit niet past in de ambities van de Structuurvisie Zuidplas 2030. In de derde plaats omdat een bedrijf als dat van eiseres, in strijd met de Economische Visie Zuidplas 2016 geen positieve bijdrage levert aan de recreatieve waarden binnen het groene buitengebied. En in de vierde plaats, omdat het planvoornemen niet bijdraagt aan de transitie van het zogeheten restveengebied en daarom ongewenst is.
8. De rechtbank is van oordeel dat de raad bij de weigering van de verklaring van geen bedenkingen terecht beoordeeld heeft of ter zake van het aangevraagde gebruik van de nieuwe schuur ten dienste van het loon- en aannemingsbedrijf van eiseres kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Eiseres heeft alleen betoogd dat de verklaring van geen bedenkingen ten onrechte is geweigerd voor wat betreft het gesteld gebruik van de schuur ten behoeve van de recreatieve invulling van de achterliggende percelen. Die gronden treffen geen doel, nu, zoals hiervoor overwogen, niet aannemelijk is geworden dat dat gebruik wordt beoogd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de raad de verklaring van geen bedenkingen niet heeft kunnen weigeren. Wanneer de raad een verklaring van geen bedenkingen heeft geweigerd, zoals in dit geval, kan het college niets anders doen dan ook de omgevingsvergunning weigeren. Voor toetsing door de rechtbank of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren, is dan geen plaats. [5]
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
9. Voor zover eiseres met haar verwijzing naar de schuren op de naastgelegen percelen aan de [straatnaam] [huisnummers 1] in [plaats 1] [6] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt zij hierin niet, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.
9.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelswijze.
9.2.
Daarvan is hier geen sprake. De situatie ten aanzien van de naburige percelen aan de [straatnaam] [huisnummers 1] in [plaats 1] is in relevante mate anders omdat op die percelen reeds een bedrijfsbestemming rust en geen sprake is van gronden waarop de bestemming ‘Natuur’ rust en die vallen binnen het Natuurnetwerk Nederland, zoals op het perceel van eiseres. Het feit dat het college bij deze drie percelen wel wil meewerken aan legalisering, maakt niet dat de motivering van de raad in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en daarom geen stand kan houden. In het geval van de drie percelen gaat het niet om legaliseren door middel van een bestemmingsplanwijziging van bedrijven die gevestigd zijn op gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland, maar om gronden waarop een bedrijfsbestemming rust. Dat is een relevant verschil, nog daargelaten dat de pogingen van het college om de situatie op die percelen te legaliseren telkens zijn gestrand bij de Afdeling omdat geen ecologisch onderzoek is verricht.
Is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
10. Indien en voor zover eiseres zich in haar brief van 31 januari 2026 beroept op schending van het vertrouwensbeginsel, slaagt zij hierin niet. In de door haar aangevoerde omstandigheden dat zij hoge kosten heeft gemaakt voor het laten opstellen van een ruimtelijke onderbouwing en aan de gesprekken die zij hierover heeft gevoerd het vertrouwen ontleende dat het college positief stond ten opzichte van de aanvraag is geen enkele grond gelegen voor het oordeel dat het college het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend. [7] Van een toezegging is immers geen sprake. Bij brief van 16 juli 2019 is eiseres er bovendien op gewezen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat er waarschijnlijk geen medewerking zal worden verleend aan een afwijking van het bestemmingsplan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van
de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid,
wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is
geweigerd.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
(…)
3 De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.
(…)
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
(…)
Bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken,
komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, waarbij de productie
geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond; nader
te onderscheiden in:
akkerbouw en tuinbouw op open grond: de teelt van gewassen op open grond, al dan niet onder plat glas, daaronder niet begrepen bosbouw en sier- en fruitteelt;
veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond;
sierteelt: de teelt van siergewassen al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de verhandeling van boomkwekerijgewassen en vaste planten;
glastuinbouw: de teelt van tuinbouwgewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel;
intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht;
paardenfokkerij: het fokken, trainen en verzorgen van paarden;
sierteelt: de teelt van gewassen al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten.