ECLI:NL:RBDHA:2026:9649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 6380
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanmaningskosten parkeerbelasting na naheffingsaanslag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanmaningskosten die verweerder, de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag, in rekening heeft gebracht wegens het niet betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De naheffingsaanslag was op 2 juni 2025 opgelegd en de aanmaningskosten van €9 werden op 21 juni 2025 in rekening gebracht. Eiser betoogt dat de naheffingsaanslag niet op juiste wijze bekend is gemaakt, waardoor de aanmaning ten onrechte is verzonden.

De rechtbank overweegt dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag, waardoor deze in rechte vaststaat. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag op 30 mei 2025 naar het juiste adres van eiser is verzonden, wat een vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. De enkele ontkenning van eiser ontzenuwt dit vermoeden niet. De aanmaningskosten zijn daarom terecht in rekening gebracht.

Op de zitting is een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag besproken, maar deze biedt geen aanleiding tot een ander oordeel omdat eiser geen bezwaar of beroep tegen de naheffingsaanslag heeft ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaningskosten parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de naheffingsaanslag rechtsgeldig is verzonden en in rechte vaststaat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/6380

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

([gemachtigde 1]),
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 2 juni 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).
Verweerder heeft aan eiser op 21 juni 2025, wegens het niet-betalen van de naheffingsaanslag, aanmaningskosten in rekening gebracht
Bij uitspraak van verweerder van 26 augustus 2025 is het bezwaar van eiser tegen de in rekening gebrachte kosten van de aanmaning inzake de naheffingsaanslag ongegrond verklaard
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Namens eiser is verschenen [naam], kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3].

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder de aanmaningskosten ten bedrage van € 9 terecht aan eiser in rekening heeft gebracht. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag, waardoor deze inmiddels in rechte vaststaat.
2. Volgens eiser is aan hem ten onrechte een aanmaning gestuurd wegens het niet-betalen van de naheffingsaanslag, omdat verweerder de naheffingsaanslag niet op juiste wijze bekend heeft gemaakt.
3. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en acht het beroep van eiser ongegrond
4. Het is in beginsel aan verweerder om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van eiser is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het stuk eiser op een andere manier heeft bereikt. Voor verzending per post geldt dat de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de stukken op dat adres rechtvaardigt. Dit brengt mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de naheffingsaanslag naar het juiste adres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem overgelegde verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag met juiste adressering op 30 mei 2025 aan eiser is verzonden. Daarmee ontstaat een vermoeden van ontvangst van de naheffingsaanslag. De enkele ontkenning van de ontvangst van de naheffingsaanslag op dit adres ontzenuwt het vermoeden van ontvangst niet. De aanmaningskosten van € 9 zijn dan ook terecht in rekening gebracht
5. Op zitting is de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (het Hof) van
19 november 2025 [1] aan de orde gesteld door gemachtigde. Anders dan daar besproken, geeft de uitspraak van het Hof geen aanleiding voor een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag en is alleen opgekomen tegen de kosten van aanmaning. De naheffingsaanslag is daarom in rechte komen vast te staan.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van G.M. Kraus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).