Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.11699
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker naar Oostenrijk wegens psychische problematiek

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht naar Oostenrijk te voorkomen zolang de beroepsprocedure loopt.

De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker psychische problematiek heeft en achtte het noodzakelijk dat het Bureau Medisch Advies (BMA) nader onderzoek verricht. Daarom werd het onderzoek in de beroepsprocedure heropend en de minister in de gelegenheid gesteld het BMA in te schakelen.

Verzoeker wilde gelijktijdig uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep, vanwege de onzekerheid rond het asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking treedt. De voorzieningenrechter vond het belang van een zorgvuldig BMA-onderzoek zwaarder wegen dan de onzekerheid over de overdrachtstermijn.

De overdrachtstermijn zou op 21 mei 2026 verstrijken, maar de voorzieningenrechter besloot de overdracht op te schorten totdat op het beroep is beslist. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van €1.868,00.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De overdracht van verzoeker naar Oostenrijk wordt opgeschort totdat op het beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11699

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Aygur),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL26.11698, de beroepsprocedure, op 17 april 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft met het verzoek om een voorlopige voorziening beoogd een overdracht te voorkomen zolang de beroepsprocedure nog loopt.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van psychische problematiek bij verzoeker. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het nodig is om het Bureau Medisch Advies (BMA) in te schakelen voor nader onderzoek. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek in de beroepsprocedure te heropenen en de minister in de gelegenheid te stellen het BMA in te schakelen.
3. Verzoeker heeft op zitting de voorzieningenrechter verzocht gelijktijdig uitspraak te doen op het verzoek met de uitspraak op het beroep. Daartoe heeft verzoeker aangedragen dat er weliswaar belang bij is dat er een zorgvuldig onderzoek wordt gedaan naar de psychische klachten, maar dat er ook belang bij is dat er snel duidelijkheid komt over de overdracht en dus geen opschorting plaatsvindt van de uiterste overdrachtsdatum. Daarbij is redengevend voor verzoeker dat op 12 juni 2026 het asiel- en migratiepact in werking zal treden en dat nog onduidelijk is of er dan nog een Dublinprocedure en een uiterste overdrachtsdatum zal bestaan. Dat geeft veel onzekerheid. Gelet op verzoekers psychische klachten, die mede worden veroorzaakt door de onzekerheid in de Dublinprocedure, zal een verlenging van de overdrachtsdatum tot ernstige gezondheidsproblemen leiden bij verzoeker.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, gelet op wat hij stelt over zijn psychische gezondheid, een groot belang heeft bij het inwinnen van het BMA-advies over de overdracht. Daarvoor is nodig dat de overdracht wordt opgeschort. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister ter zitting heeft toegelicht dat het BMA-advies enkele weken kan duren. De voorzieningenrechter stelt vast dat de uiterste overdrachtsdatum verstrijkt op 21 mei 2026. De voorzieningenrechter overweegt dat een overdracht ook enige tijd vooraf moet worden aangekondigd en voorbereid.
5. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker aanvoert geen aanleiding af te zien van opschorting van de overdrachtstermijn. De voorzieningenrechter ziet allereerst met de komst van het asiel- en migratiepact nog geen concrete aanwijzing dat een overdracht niet meer aan de orde zal zijn of dat dit significant meer onzekerheid voor verzoeker zal betekenen. Dat verzoeker door de aanhouding in de beroepsprocedure langer in onzekerheid verkeert, is weliswaar een belang, maar de voorzieningenrechter acht het van groter belang dat er een zorgvuldig onderzoek plaatsvindt. Ook hierin is geen rechtens te respecteren belang gelegen op dit moment geen voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er gelet op het voorgaande spoedeisend belang is en wijst dan ook het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
7. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.