Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
09/136159-24 en 09/345370-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak woninginbraak, veroordeling handel cocaïne en poging woninginbraak met gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van handel in cocaïne, woninginbraak en pogingen tot woninginbraak. De rechtbank sprak verdachte vrij van een woninginbraak wegens onvoldoende bewijs, ondanks DNA-sporen die ook door een alternatieve verklaring konden worden verklaard.

Voor de handel in cocaïne gedurende bijna vier maanden en twee pogingen tot woninginbraak werd verdachte wel schuldig bevonden. Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, telefoniegegevens, banktransacties, forensisch onderzoek en politiehelikopterbeelden. De politie gebruikte een stroomstootwapen bij de aanhouding, wat door de rechtbank als geoorloofd werd beoordeeld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante begeleiding, locatiegebod met elektronische monitoring en middelencontrole. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen voor materiële schade, met wettelijke rente en proceskosten. De rechtbank wees vormverzuim af en oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en vrijgesproken van één woninginbraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/136159-24 en 09/345370-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 22 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van [nummer 3] april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. de Boorder naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
dagvaarding I (parketnummer 09/136159-24)
1
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 1 juni 2024 te Waddinxveen, althans in Nederland, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij, op of omstreeks 25 december 2024 te Waddinxveen, in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere sieraden en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een of meerdere muntstukken, in elk geval een of meer goederen, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
3
hij, op of omstreeks 1 november 2025 te Waddinxveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, al dan niet met behulp van een breekijzer, althans een voorwerp, een of meerdere ramen en/of raamkozijnen van die woning (gedeeltelijk) heeft gebroken/verbroken/beschadigd en/of heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
dagvaarding II (09/345370-25)
hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te Waddinxveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel al dan niet met behulp van een breekijzer, althans een voorwerp, een of meerdere ramen en/of raamkozijnen van die woning (gedeeltelijk) heeft gebroken/verbroken/beschadigd en/of heeft geprobeerd open te breken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Vrijspraak van feit 2, dagvaarding I
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het dossier aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van de verdachte bij de inbraak in de woning aan de [adres 2] in Waddinxveen, zijn die onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Er is ter plaatse een DNA-mengprofiel aangetroffen dat verdachte in verband brengt met deze inbraak. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat dit DNA-spoor op een ander moment of door een ander persoon op de ruit terecht is gekomen. Het spoor is immers aan de buitenzijde van een ruit van de woning aangetroffen in de vorm van een vette veeg die mogelijk veroorzaakt zou kunnen zijn door een handschoen. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat mogelijk een ander met zijn werkhandschoenen bij deze woning zou kunnen zijn geweest en de inbraak zou kunnen hebben gepleegd, wat het aangetroffen DNA-spoor zou kunnen verklaren. Op basis van de bevindingen in het dossier kan de rechtbank dit alternatieve scenario niet uitsluiten.
Van een modus operandi die dusdanig gelijk is aan de andere tenlastegelegde feiten waardoor het bewijs voor die feiten als schakelbewijs voor dit feit kan dienen, is naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot wat door de officier van justitie naar voren is gebracht, geen sprake. Een inbraak met een breekijzer via het raam van een woning in dezelfde woonplaats, is niet dusdanig specifiek om van een herkenbaar aanwezig patroon te kunnen spreken. Op grond daarvan kan niet worden aangenomen dat de verdachte betrokken is geweest bij dit ten laste gelegde feit.
Voorgaande omstandigheden in samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de inbraak heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen overige feiten
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
dagvaarding I
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025122610, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 165).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 15-16):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 27 maart 2024 was ik in Waddinxveen. Ik zag dat [naam 1] samen met een onbekende man liep in de richting van de woonhuizen aan het Koningin Wilhelminaplein. Ik zag dat de onbekende man een klein, lichtkleurig goed overgaf aan [naam 1] . Het is mij ambtshalve bekend dat [naam 1] in de politiesystemen bekend staat als harddruggebruiker. Hierdoor vermoedde ik dat dit een overdracht van verdovende middelen betrof. Ik zag dat een collega een foto nam van deze onbekende man.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 37):
Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:
We zijn in gesprek gegaan met [naam 1] . Wij hoorden dat hij zei: Als ik mijn dealer in Waddinxveen wil contacten bel ik hem op nummer [telefoonnummer 1] . Wij zagen dat het nummer stond opgeslagen onder de naam [de verdachte] .
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van [nummer 3] april 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] mijn telefoonnummer is.
De raadsman toont de verdachte de foto op pagina 57, die is genomen op 27 maart 2024. Dat ben ik.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 38-39):
Op 19 april 2024 zijn de historische verkeersgegevens gevorderd van het
telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De gegevens zijn opgevraagd bij de
provider voor een periode van 01 januari 2024 tot en met [nummer 3] april 2024.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft via telefonie of sms contact gehad met ca 60
andere telefoonnummers.
[telefoonnummer 2] [naam 2] [plaats 2]
[telefoonnummer 3] [naam 3]
[telefoonnummer 4] [naam 4] [plaats 2]
De telefoonnummers welke gekoppeld zijn aan [naam 2] zijn te linken aan de
bekende harddrugsverslaafde [naam 1] . [naam 3] is tevens een bekende harddrugsgebruiker en geen bekend sociaal contact van [de verdachte] . [naam 4] is een bekende harddrugsgebruiker.
Kenmerkend voor een dealtelefoon is dat de meeste contacten alleen inbellen op
het telefoonnummer en niet gebeld worden. Dat is bij bovengenoemde drugscontacten ook het geval. De telefoongesprekken die gevoerd worden met bovengenoemde contacten zijn allemaal van zeer korte duur. Ook dit is een bekend gegeven van de belletjes naar een dealnummer.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 4] , opgemaakt op 7 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 42-43):
V: Hoe kom je aan je drugs?
A: Ik ken de jongen van vroeger. Het telefoonnummer van de dealer is [telefoonnummer 1] .
V: Wat voor drugs koop je bij deze dealer?
A: Alleen Cocaïne.
V: Hoe vaak koop je de drugs bij deze dealer?
A: Ik denk dat ik nu een aantal maanden bij hem afneem.
V: Wat is de prijs van de drugs van deze dealer?
A: Ik nam per keer 1 gram af voor 50 euro, ik betaalde meestal met een tikkie. Ik heb de bank gegevens van hem voor u. [bankrekening 1] te naam van [naam 5] .
V: Op welke plaats krijg je de drugs van deze dealer?
A: We spraken dan overal en nergens af. Soms in Waddinxveen soms ergens anders.
6. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 134):
Mijn bank rekening nummer is [bankrekening 1] .
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 45):
Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:
Wij toonden de politiefoto van de verdachte [de verdachte] aan [naam 4] . Wij vroegen aan hem of dit de "dealer" is. Wij hoorden direct dat [naam 4] hierop bij het zien van de foto zei: Ja toch".
[nummer 3] . Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 juni 2024, voor zover ` inhoudende (p. 49):
Op vrijdag 31 mei 2024 zijn er historische gegevens opgevraagd van het bankrekeningnummer van verdachte [de verdachte] . Het bankrekeningnummer betreft [bankrekening 1] .
Vanaf 26 januari 2024 tot en met 17 mei 2024 hebben er 27 transacties plaats gevonden tussen het rekeningnummer van [de verdachte] en Hr. [naam 4] [bankrekening 2] . Hr. [naam 4] heeft in totaal 3.611,00 euro overgemaakt naar [de verdachte] .
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025369642, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 116).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 14):
Pleegdatum: 1 november 2025 om 3:49 uur
Zij deed aangifte namens het slachtoffer [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1939.
‘’Ik doe aangifte van poging inbraak van de woning van mijn ouders gelegen aan de [adres 3] .
Ik zag dat aan de voorzijde van de woning het raam is gebroken en de zijsponning is verbogen. De onderste klink was afgebroken van het raam en lag in de vensterbank. Er hangen dubbele sloten bij alle ramen en deze waren afgesloten.’’
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 17):
Op 1 november 2025 rond 03.50 uur 's nachts lag ik thuis in bed. Ik woon aan de [straatnaam 1] . Ik hoorde toen steeds een voor mij onbekend geluid. Het klonk een beetje als boormachine, maar dan heel zachtjes. Ik zou het omschrijven als een zoemend geluid, en ik dacht ook een klein bonkje te horen. Ik heb toen meteen 112 gebeld en hier melding van gedaan.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 31-32):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 1 november 2025 werd er gepoogd in te breken bij de woning aan de [adres 3] in Waddinxveen. Tijdens deze melding is de politiehelikopter ook gaan vliegen. Op 1 november 2025 zijn de beelden welke gemaakt zijn vanuit de politiehelikopter ter beschikking gesteld aan de politie. Ik zag dat de beelden waren van 1 november 2025 met als starttijd 03:58:58 uur.
Vanaf 03:59:09 uur zag ik een donkere schim aan de voorzijde van een woning. Ik zag dat dit een woning was gelegen aan de [straatnaam 1] in Waddinxveen. Ik zag dat de persoon de tuin uitliep en linksaf rende in de richting van de [straatnaam 2] . Ik zag dat de persoon voor de huizen langs rende en aan het eind van het
huizenblok linksaf een steeg in rende. Ik zag dat dit een steeg betrof welke grenst aan de achtertuinen van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] . Ik zag dat hij zich bukte naast een schuur en daarna weer terug rende in de richting van de andere steeg. Ik zag dat de persoon daar op een fiets stapte en wegfietste. Ik zag dat de persoon om 04:04:32 uur tijdens het fietsen iets weggooide. Ik zag dat dit terecht kwam in de tuin van [adres 5] . Ik zag dat de persoon de groenstrook opreed, zijn fiets achter liet en naar de voetbalvelden rende. Ik zag dat hij richting een hek liep. Ik zag aan de andere kant van het hek drie personen aan komen rennen. Ik zag dat de voorste persoon iets op de persoon richtte. Ik zag vervolgens dat de persoon op de grond viel en bleef liggen. Ik hoorde dat er werd gezegd dat de taser was gebruikt.
4. Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 79-80):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 1 november 2025, om 03:50 uur, hoorde ik dat het Operationeel Centrum van de eenheid Den Haag een melding uitgaf en dat de centralist vertelde dat zij een melding ontvingen over een mogelijke woninginbraak. Om 03:55 uur, hoorde ik dat de collega's van de landelijke eenheid, vliegend in een helikopter ook mee wilde gaan.
Omstreeks 04:00 uur, reed ik, samen met mijn collega, de [straatnaam 1] te Waddinxveen in. Ik hoorde dat de collega's van de landelijke eenheid de exacte locatie van de verdachte benoemden. Ik hoorde ze zeggen dat hij in de bosjes zou zitten, bij het toegangshek van het sportveld. Omstreeks 04:06 uur, hoorde ik dat de collega's van de landelijke eenheid riepen over de portofoon, dat de persoon, welke de collega's vanaf de woning al gevolgd hadden, links van mij in de bosjes zou zitten. Ik zag een manspersoon in de bosschages zitten. Ik zag dat de man begon te kruipen door de bosschages. Ik riep vervolgens naar de man: “Je bent aangehouden!”. Voordat ik de man, aldus verdachte, wilde waarschuwen voor mijn gebruik van het stroomstootwapen, zag ik dat de verdachte in een versnelde beweging opstond en weg wilde rennen. Ik besloot mijn stroomstootwapen door het hek heen te steken, te richten en af te drukken op de verdachte. Ik zag dat de verdachte naar de grond bewoog,
De verdachte bleek te zijn:
[de verdachte] ;
geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] ;
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 november 2025, voor zover inhoudende (p. 20):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 1 november 2025 was ik in dienst samen met een andere verbalisant. Omstreeks 04:00 uur reden wij mee met een melding van een mogelijke inbraak in de [straatnaam 1] te Waddinxveen. Ik zag dat er bij de woning aan de [adres 3] verse braakschade zat aan het kozijn bij een raam aan de voorzijde van de woning. Hierop ben ik naar de achterzijde van de woning gelopen en zag dat er hier ook bij beide ramen veel en verse schade zat op het kozijn van deze zelfde woning.
De collega's van de politiehelikopter zagen op de beelden van hun helikopter dat de persoon die was aangehouden eerst in een gehurkte houding iets verstopt had in een heg aan het einde van de steeg achter de [straatnaam 1] ter hoogte van nummer [nummer 1] . Hier hebben de hondengeleiders gezocht met hun diensthond en die volgde een spoor, welke hen heeft geleid tot twee breekijzers.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 november 2025, voor zover inhoudende (p. 48-49):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 1 november 2025 omstreeks 03.50 reed ik met een collega en hoorde over de portofoon dat de meldkamer een melding uitgaf dat er op de [straatnaam 1] te Waddinxveen ter hoogte van perceel nummer [nummer 2] geluid werd gehoord alsof er werd ingebroken. Ik ben samen met de collega eveneens in de richting van genoemde locatie gereden. Kort hierop hoorde ik over de portofoon dat de persoon was aangetroffen naast het clubgebouw en dat hij was getaserd. Ik ben ook naar de locatie gelopen en zag dat een persoon uit de aldaar gelegen bosjes werd gehaald en werd aangehouden. Ik zag dat de persoon geen schoenen aan had.
Ik hoorde dat collega hondengeleiders ter plaatse waren om op verzoek en aanwijzen van collega's van de politie helikopter te zoeken naar de door de verdachte weg gegooide spullen. Ik ben naar de collega hondengeleiders gegaan en ik hoorde hen vertellen dat ze op diverse plekken goederen hadden aangetroffen. Ik zag dat ze mij de volgende plekken aanwezen.
Op het [straatnaam 3] trof ik in de achtertuin van perceel nummer [nummer 3] een schoen in de
achtertuin. Op het [straatnaam 3] trof ik in de achtertuin van perceel nummer [nummer 4] een schoen in de achtertuin.
Aangekomen op het politiebureau zag ik, verbalisant, de beelden welke gemaakt zijn door de collega's van de politie helikopter. Ik herkende op de beelden de plek waar andere collega's de breekijzers aantroffen in de poort en de plekken waar de twee schoenen zijn aangetroffen op het [straatnaam 3] .
dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025366865, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 32).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 29 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 5):
Pleegdatum: 29 oktober 2025
Ik ben gemachtigd door mijn moeder [benadeelde 3] om aangifte te doen.
Ik werd door mijn schoonzus op de hoogte gesteld omstreeks 22:24 uur dat de politie op de [adres 4] te Waddinxveen was. Ter plaatse zag ik dat de uitbouw van de hoekwoning aan de voorzijde de ruit kapot was. Ik zag dat het glas door de woonkamer heen lag. Ik heb geconstateerd dat er niks mist uit de woning. Ik zag dat er diverse bloedspetters op het gebroken glas zaten.
2. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, opgemaakt op 5 november 2025, voor zover inhoudende (p. 18-20):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op donderdag 30 oktober 2025 om 09:06 uur kwam ik, naar aanleiding van een poging tot een gekwalificeerde diefstal uit een woning, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 4] .
Ik zag dat (er):
- in het hout van de onderdorpel van dit raamkozijn, afzetsporen van een breekwerktuig zaten met afmetingen van ongeveer tweeëndertig millimeter;
- in de sponning van het raam glasscherven vastzaten;
- op de vensterbank binnen en op de vloer van de woonkamer onder het raam
glasscherven lagen;
- op de buitenzijde van een glasscherf in de sponning, van de buitenste ruit van het
raam, een bloedveeg zat;
- op glasscherven op de vloer van de woonkamer, onder het raam en onder de
eetkamertafel bloeddruppels zaten.
De volgende sporen werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Biologische sporen
Spoornummer: PL1500-2025366865-166114
SIN: AAQW8696NL
Spooromschrijving: Bloed
Wijze veiligstellen: Wattenstaafje
Datum/tijd veiligstellen: 30 oktober 2025 om 09:52 uur
Plaats veiligstellen: Op glasscherf van vloer woonkamer onder verbroken ruiten
Spoornummer: PL1500-2025366865-166112
SIN: AAQW8695NL
Spooromschrijving: Bloed
Wijze veiligstellen: Wattenstaafje
Datum/tijd veiligstellen: 30 oktober 2025 om 09:30 uur
Plaats veiligstellen: Op buitenzijde glasscherf buitenste ruit onder bij sponning
Spoornummer: PL1500-2025366865-166113
SIN: AAPW6662NL
Spooromschrijving: Bloed
Wijze veiligstellen: Wattenstaafje
Datum/tijd veiligstellen: 30 oktober 2025 om 09:36 uur
Plaats veiligstellen: Op glasscherf van vloer woonkamer onder verbroken ruiten
3. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, opgemaakt op 19 november 2025, voor zover inhoudende (p. 23):
AAPW6662NL
AAPW6662NL#01 Op glasscherf van vloer
woonkamer onder
verbroken ruiten
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal één persoon;
- [de verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
AAQW8695NL
AAQW8695NL#01
Op buitenzijde glasscherf
buitenste ruit onder bij
sponning
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal één persoon;
- [de verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
AAQW8696NL
AAQW8696NL#01
Op glasscherf van vloer
woonkamer onder
verbroken ruiten
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal één persoon;
- [de verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 en 3 en dagvaarding II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I (parketnummer 09/136159-24)
1
hij, in de periode van
26 januari 2024 tot en met 17 mei 2024in Nederland, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij, op 1 november 2025 te Waddinxveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2]
,toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, al dan niet met behulp van een breekijzer, een of meerdere ramen en/of raamkozijnen van die woning (gedeeltelijk) heeft gebroken/beschadigd en heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
dagvaarding II (09/345370-25)
hij op 29 oktober 2025 te Waddinxveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning,
aan de[adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, geld en/of goederen van zijn gading dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak met behulp van een breekijzer een of meerdere ramen en/of raamkozijnen van die woning (gedeeltelijk) heeft gebroken/beschadigd en heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, een locatiegebod met elektronische monitoring en middelencontrole.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in geval van een veroordeling, een gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan zes maanden, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel. Ook is volgens de verdediging sprake geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dat dient te leiden tot strafvermindering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne gedurende een periode van bijna vier maanden. Door zo te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in en verspreiding van voor de samenleving schadelijke drugs. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik hiervan in de regel schadelijke gevolgen met zich brengt op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak. Ook gaat de handel in deze verdovende middelen dikwijls gepaard met andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit, die de maatschappij veel overlast bezorgen.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot inbraak in een woning. Dit zijn bijzonder kwalijke feiten, nu een woning bij uitstek een plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Inbraken en pogingen daartoe veroorzaken vaak schade, overlast en gevoelens van angst bij de slachtoffers. Bovendien dragen dergelijke feiten ook bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich alleen laten leiden door zijn eigen financiële belangen, zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de afgelopen vijf jaren vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
31 december 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een hoog gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, een locatiegebod met elektronische monitoring en middelencontrole. Zij adviseert de rechtbank deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Strafvermindering vanwege vormverzuim?
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, nu bij de aanhouding ter zake van feit 3 onder dagvaarding I ten onrechte gebruik is gemaakt van een stroomstootwapen. De politie zou in strijd hebben gehandeld met artikel 12c eerste lid onder a en b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Ingevolge artikel 12c eerste lid onder b van de Ambtsinstructie is de politie bevoegd om het stroomstootwapen te gebruiken op het moment dat een verdachte zich tracht te onttrekken aan zijn aanhouding. Artikel 12d van de Ambtsinstructie bepaalt dat, alvorens over te gaan tot het gebruik van het stroomstootwapen, de verbalisant de verdachte dient te waarschuwen dat indien een bevel niet wordt opgevolgd het stroomstootwapen zal worden gebruikt. Deze waarschuwing kan onder omstandigheden achterwege blijven.
Uit het procesdossier volgt dat naar aanleiding van een melding van poging tot inbraak aan de [adres 3] in Waddinxveen verschillende politie-eenheden ter plaatse zijn gekomen, waaronder de politiehelikopter. De verbalisanten in de politiehelikopter hebben ter hoogte van de betreffende woning de verdachte in het zicht gekregen. De verdachte is vervolgens op de vlucht geslagen en verschillende politie-eenheden hebben getracht de verdachte aan te houden. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat hij werd achterna gezeten door de politie in een poging hem aan te houden. Desondanks heeft de verdachte zich gedurende de achtervolging uit de voeten gemaakt.
De achtervolging is uiteindelijk geëindigd bij sportvelden in de buurt van de woning. De verdachte heeft zich in de bosjes verstopt en aan de andere kant van een hek hebben verbalisanten hem tot stoppen gemaand en medegedeeld dat hij was aangehouden. De verbalisant beschrijft dat de verdachte in versnelde beweging opstond en poogde weg te rennen, waarna hij het stroomstootwapen op de verdachte richtte en afdrukte. De rechtbank acht de inzet van het stroomstootwapen geoorloofd op grond van artikel 12c eerste l onder b van de Ambtsinstructie, nu dit als doel had de verdachte aan te houden, die poogde zich hieraan te onttrekken. Dat er op voorhand geen waarschuwing is gegeven over de inzet van het stroomstoopwapen maakt dit niet anders, omdat de verbalisant onder de gegeven omstandigheden snel moest handelen om te voorkomen dat de verdachte nogmaals op de vlucht zou slaan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en dat de inzet van het stroomstootwapen derhalve geen aanleiding geeft tot vermindering van de op te leggen straf.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante begeleiding, een locatiegebod met elektronische monitoring en middelencontrole. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist omdat zij minder feiten bewezen heeft verklaard.
De rechtbank zal de voornoemde bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet is voldaan aan de in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht gestelde eisen.

7.De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.202,66, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van immateriële schade te bepalen door de rechtbank.
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.207,57, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen in het geval van een veroordeling aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering is wat betreft de materiële schade namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij toegelicht ter zitting. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde feit, en de hoogte van het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet ongegrond voor.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.202,66, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld hij is daarom tegenover de benadeelde partij [benadeelde 2] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.202,66, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] ;
Benadeelde partij [benadeelde 3]
De vordering is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.207,57, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 3]
De verdachte zal voor het onder dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld hij is daarom tegenover de benadeelde partij [benadeelde 3] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.207,57, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 3 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
dagvaarding II
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
18 (achttien) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig is op een goedgekeurd verblijfadres, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde. Het huidige verblijfadres is: [adres 1] ;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te ’s-Gravenhage, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. In overleg met de toezichthouder kan besloten worden om de meldplichtafspraken na de eerste afspraak op een andere locatie te laten plaatsvinden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan bloedonderzoek en urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder begeleiding stelt van een Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.202,66 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 2]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 1.202,66, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 1.207,57 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel t.b.v. [benadeelde 3]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 1.207,57, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.