Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/2881
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a BklArt. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 22.29 Omgevingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor aanbouw woning

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 14 april 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij een woning.

Verzoeker vreesde dat de aanbouw zijn privacy in tuin, woonkamer en slaapkamer zou aantasten. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer had de vergunning op 4 maart 2026 verleend aan de vergunninghouder, die de aanbouw binnen de geldende regels van het bestemmingsplan wilde realiseren.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het bouwplan voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan “Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord”, binnen het bouwvlak ligt, de maximale bouwhoogte niet overschrijdt en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Omdat het een gebonden beschikking betreft, is het college niet bevoegd om belangen zoals privacy mee te wegen.

De privacybezwaren van verzoeker konden daarom niet leiden tot een andere beoordeling. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de vergunning niet wordt geschorst en de bouw op eigen risico kan starten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de aanbouw wordt afgewezen en de vergunning wordt niet geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2881
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college

(gemachtigde: mr. C.T. Kreffer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [woonplaats] , vergunninghouder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan de [adres] .
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door [naam 1] , de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vergezeld door [naam 2] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij voornamelijk vreest dat hij door de aanbouw geen privacy meer zal hebben in zijn tuin, woonkamer en slaapkamer.
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende omgevingsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
5. De aangevraagde omgevingsvergunning ziet op de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwplan voldoet aan de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd [1] . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten
– waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan “Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord”. [2] De aanbouw is bedoeld om in te wonen en past daarmee binnen de bestemming ‘Wonen-1’, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet daarmee aan de eisen die artikel 22.29 van het omgevingsplan stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent – gelet op artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend.
7. Het betoog van verzoeker met betrekking tot de aantasting van zijn privacy kan in het licht van het voorgaande niet leiden tot een ander oordeel. De beoordeling van de gevolgen van de op grond van het bestemmingsplan toegestane activiteiten voor omwonenden – zoals privacy – heeft al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het omgevingsplan, waaraan het bouwplan voldoet, en kunnen dus niet meer aan de orde komen in het kader van de vergunningverlening. Alleen wanneer het bouwplan niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan – en er dus moet worden afgeweken van de regels van het omgevingsplan – is er ruimte voor het college om de gevolgen van het bouwplan voor omwonenden te betrekken bij de beoordeling. Nu vaststaat dat daarvan geen sprake is, heeft dit tot gevolg dat de bezwaren van verzoeker, die op de gevolgen van het bouwplan voor zijn leefomgeving en privacy zien, terecht door het college niet betrokken zijn bij de verlening van de vergunning.
8. Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026 door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
2.Dat op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.