De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Westland voor een dakopbouw op een woning aan een adres in Westland. Eisers, bewoners uit de nabijgelegen Verhoevenstraat, zijn het niet eens met deze vergunning omdat het bouwplan in strijd is met het geldende omgevingsplan, met name vanwege de overschrijding van de maximale bouwhoogte van 6 meter tot 8,44 meter.
Het college heeft het primaire besluit van 15 juli 2025 gehandhaafd in het bestreden besluit van 5 maart 2026. Eisers hebben beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft op 14 april 2026 de zaak behandeld en besloten ook op het beroep te beslissen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een van de eisers, die op circa 45 meter afstand woont, geen belanghebbende is omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. De overige eisers betogen onder meer dat het college onterecht de vergunning heeft verleend vanwege precedentwerking, aantasting van privacy en bezonning, en het ontbreken van advies van de gemeenteraad.
De rechtbank stelt dat het college beleidsruimte heeft om af te wijken van het omgevingsplan mits een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gewaarborgd. De bezwaren van eisers worden verworpen: de privacy- en bezonningsaantasting zijn niet onaanvaardbaar, de gemeenteraad behoefde niet om advies te worden gevraagd, en de participatie was niet onzorgvuldig. Het beroep van de eisers wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de vergunning in stand blijft.