Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9697

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/2701 en 26/2702
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8.0a BklArt. 16.15a OmgevingswetArt. 16.55 OmgevingswetArt. 20.2.1 Omgevingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning dakopbouw ondanks strijd met omgevingsplan

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Westland voor een dakopbouw op een woning aan een adres in Westland. Eisers, bewoners uit de nabijgelegen Verhoevenstraat, zijn het niet eens met deze vergunning omdat het bouwplan in strijd is met het geldende omgevingsplan, met name vanwege de overschrijding van de maximale bouwhoogte van 6 meter tot 8,44 meter.

Het college heeft het primaire besluit van 15 juli 2025 gehandhaafd in het bestreden besluit van 5 maart 2026. Eisers hebben beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft op 14 april 2026 de zaak behandeld en besloten ook op het beroep te beslissen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een van de eisers, die op circa 45 meter afstand woont, geen belanghebbende is omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. De overige eisers betogen onder meer dat het college onterecht de vergunning heeft verleend vanwege precedentwerking, aantasting van privacy en bezonning, en het ontbreken van advies van de gemeenteraad.

De rechtbank stelt dat het college beleidsruimte heeft om af te wijken van het omgevingsplan mits een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gewaarborgd. De bezwaren van eisers worden verworpen: de privacy- en bezonningsaantasting zijn niet onaanvaardbaar, de gemeenteraad behoefde niet om advies te worden gevraagd, en de participatie was niet onzorgvuldig. Het beroep van de eisers wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de vergunning in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/2701 en 26/2702
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in dezaken
tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college

(gemachtigde: mr. T. Bender).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [woonplaats] , vergunninghouders
(gemachtigde: mr. S.J.A. Rollé).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw op de woning aan de [adres 1] . Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben daarom beroep ingesteld (zaak SGR 26/2702) en verzocht om een voorlopige voorziening (zaak SGR 26/2701). Zij voeren een aantal gronden aan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 15 juli 2025 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouders. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 op de bezwaren van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening om te treffen.
2.1.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouders hebben op het verzoek gereageerd.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers. [1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
3. Vergunninghouders wonen aan de [adres 1] . Zij zijn voornemens om een dakopbouw te realiseren op hun woning. Zij hebben daarom op 13 maart 2025 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een dakopbouw op hun woning. Met het primaire besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het verrichten van een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ en een ‘technische bouwactiviteit’. [2] De omgevingsvergunning is verleend voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’, omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende omgevingsplan. Met het bestreden besluit is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Eisers wonen in de Verhoevenstraat en maken zich zorgen over de effecten van het bouwplan op hun woon- en leefomgeving en hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Ontvankelijkheid [eiser 3]
4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser [eiser 3] ( [eiser 3] ) geen belanghebbende, in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij de verleende omgevingsvergunning is, omdat hij op circa 45 meter afstand van het bouwplan woont en hij geen gevolgen van enige betekenis, zoals schaduw- of privacyhinder ondervindt van het bouwplan.
4.1.
[eiser 3] heeft ter zitting desgevraagd hierop gereageerd. [eiser 3] betoogt dat hij directe gevolgen zal ondervinden van het bouwplan, vanwege zijn vrees voor precedentwerking. [eiser 3] vreest dat wanneer onderhavige dakopbouw gerealiseerd wordt, vervolgens iedereen in zijn leefomgeving dakopbouwen zal gaan realiseren, die de maximaal toegestane bouwhoogte overschrijden.
4.2.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [3] Volgens vaste rechtspraak [4] is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de voorzieningenrechter naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser 3] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van het bouwplan. Met het bestreden besluit wordt enkel voor onderhavige dakopbouw afgeweken. Er wordt geen besluit genomen over vergelijkbare, toekomstige, bouwplannen. Het belang dat [eiser 3] naar voren heeft gebracht, is daarmee geen gevolg van het bestreden besluit. Ter zitting heeft [eiser 3] bovendien toegegeven dat hij geen persoonlijk belang, zoals schaduw- of privacyhinder ondervindt van het bouwplan. Het enkele feit dat [eiser 3] , op een afstand van circa 45 meter, enig zicht heeft op het bouwplan, maakt niet dat sprake is van gevolgen van enige betekenis. [eiser 3] heeft dat ter zitting ook niet als persoonlijk belang gesteld. Gelet hierop kan [eiser 3] naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als belanghebbende worden aangemerkt bij het bestreden besluit, zodat zijn beroep daartegen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Omdat het beroep van [eiser 3] niet-ontvankelijk is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover verzocht door [eiser 3] ook af. De voorzieningenrechter zal hierna het verzoek en het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] (hierna: eisers) beoordelen.
Mocht worden afgeweken van het omgevingsplan?
5. Ter plaatse geldt het “Omgevingsplan gemeente Westland”. Het voorheen geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” maakt op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uit van het omgevingsplan. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben – voor zover hier van belang – de enkelbestemming ‘Wonen’.
5.1.
Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels van het omgevingsplan. Op grond van artikel 20.2.1. onder c, van de regels van het omgevingsplan, mag de bouwhoogte van gebouwen ten hoogste 6 meter bedragen. Nu de woning van vergunninghouders na realisatie van de dakopbouw 8,44 meter hoog is, wordt de maximaal toegestane bouwhoogte overschreden.
5.2.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
5.4.
De voorzieningenrechter zal beoordelen of het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van de nieuwe dakopbouw voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter zal dit doen aan de hand van de door eisers aangedragen gronden.
[adres 2]
6. Eisers verwijzen in hun gronden meermaals naar de vergunde dakopbouw aan de [adres 2] in Wateringen. Zo betogen eisers dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verplicht was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat ook voor een dakopbouw aan de [adres 2] medewerking is verleend. Verder wijzen eisers erop dat de dakopbouw aan de [adres 2] zonder actieve communicatie van het college is gerealiseerd en dat hun bezwaren daartegen nu ten onrechte niet in behandeling worden genomen. Ook voeren eisers aan dat de gehanteerde bezonningsstudie met betrekking tot beide dakopbouwen gebreken vertoont.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de gronden voor zover deze gericht zijn tegen de dakopbouw aan de [adres 2] niet inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. De verleende omgevingsvergunning voor die dakopbouw is een apart besluit op een andere aanvraag, dat rechtens onaantastbaar is geworden, nu daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Als eisers tegen dat besluit gronden hadden willen aanvoeren, hadden ze tegen dat besluit bezwaar moeten maken. Voor zover eisers stellen dat de dakopbouw aan de [adres 2] in het kader van precedentwerking van belang is voor deze procedure en dat daarom alsnog een beoordeling van de daar uitgevoerde bezonningsstudie en het gebrek aan participatie op zijn plaats zou zijn, overweegt de voorzieningenrechter dat daarvoor geen grond bestaat in de relevante wet- en regelgeving. Bovendien mist het betoog van eisers dat het college bij de verlening van onderhavige omgevingsvergunning is afgeweken van het omgevingsplan, omdat hij dit verplicht was vanwege de vergunde dakopbouw aan de [adres 2] , elke feitelijke grondslag. Het college heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat voor onderhavig bouwplan een zelfstandige afweging is gemaakt en dat alleen naar de dakopbouw aan de [adres 2] is gekeken in het licht van de stedenbouwkundige beoordeling. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan van vergunninghouders stedenbouwkundig past binnen de omgeving, vanwege de verschillende bouwhoogtes in de buurt, waaronder de woning aan de [adres 2] . De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om aan te nemen dat het college de onderhavige dakopbouw enkel vergund heeft vanwege de verleende omgevingsvergunning voor een dakopbouw aan de [adres 2] . Het betoog slaagt niet.
Uitholling van het omgevingsplan
7. Voor zover eisers betogen dat het college de maximaal toegestane bouwhoogte van het omgevingsplan uitholt door in meerdere gevallen gebruik te maken van de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid, overweegt de voorzieningenrechter dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst of het bouwplan in overeenstemming is met het vereiste uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl en of op grond daarvan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden verleend, indien het project niet in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dat in dit specifieke geval het bouwplan niet in strijd is geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, betekent bovendien niet dat bij volgende aanvragen automatisch een omgevingsvergunning zal worden afgegeven. Uit het enkele feit dat de bezonningsstudie in het kader van zorgvuldigheid is uitgevoerd voor meerdere, hypothetische dakopbouwen in de buurt, volgt niet dat meer omgevingsvergunningen zullen worden verleend in de omgeving. Per aanvraag zal opnieuw getoetst moeten worden of het bouwplan in overeenstemming is met het vereiste uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. Het betoog slaagt niet.
Privacy en bezonning
8. Het betoog van eisers dat het bouwplan tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt, slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het kader van een beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties sprake is van een belangenafweging tussen de inbreuk op de omgeving en het woongenot van vergunninghouders. Het is aan het college om de afweging tussen deze belangen te maken.
8.2.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor eisers vervelend is dat mogelijk rekening moet worden gehouden met enige privacy vermindering. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van hun privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd met evenwichtige toedeling van functies aan locaties. moet worden geacht. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk in de woning kan plaatsvinden. [5] Gelet op de afstand van circa 18 meter tussen het bouwplan en de woning van eisers, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter mogen aannemen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van verzoekers. Het betoog slaagt niet.
Bezonning
9. Het betoog van eisers dat het bouwplan de bezonning op hun perceel ontoelaatbaar aantast, slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat – in tegenstelling tot hetgeen eisers betoogd hebben – bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ontoelaatbare aantasting van de bezonning enkel het belang van eisers betrokken wordt bij de beoordeling en niet het belang van alle omwonenden.
9.2.
Ter zitting hebben eisers erkend dat het bouwplan geen gevolgen heeft voor hun zonnepanelen, zodat de vraag of het bouwplan gevolgen heeft voor de zonnepanelen van eisers niet aan de orde komt.
9.3.
Eisers hebben ter zitting toegelicht dat ze de door Tekenservice.com uitgevoerde bezonningsstudie van 2 mei 2025 op zich kunnen volgen, op één punt na. Volgens eisers gaat de bezonningsstudie er ten onrechte vanuit dat de zon om 12.00 uur vrijwel loodrecht boven het huizenblok staat. Dat is volgens eisers onmogelijk, omdat de zon in Nederland niet hoger dan 61,5 graden boven de horizon komt te staan.
9.4.
De voorzieningenrechter ziet niet in dat een wezenlijk ander resultaat zou zijn bereikt met betrekking tot de schaduwwerking, indien er wel vanuit was gegaan dat de zon in een schuine lijn stond in plaats van loodrecht. Uit de bezonningsstudie blijkt dat er alleen op 19 februari om 9.00 en op 21 juni om 6.00 sprake is van lichte schaduwvorming op het dak en (een deel van de) achtergevel van het pand van eisers en er op 21 oktober om 09.00 sprake is enige schaduwwerking op een klein gedeelte van de garage en de zijgevel. Dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat sprake is van onevenredige schaduwhinder. Uit de bezonningsstudie volgt immers dat aan de lichte TNO-norm wordt voldaan en dat op alle andere tijdstippen helemaal geen schaduwwerking bestaat. Dat de bezonningsstudie in het kader van zorgvuldigheid is uitgevoerd voor meerdere, hypothetische dakopbouwen in de buurt maakt niet dat die bezonningsstudie voor wat betreft de schaduwwerking ten aanzien van het perceel van eisers tot een onjuist resultaat zou leiden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon het college daarom uitgaan van de resultaten van de bezonningsstudie. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat eisers geen onderzoek van een eigen deskundige hebben overgelegd die twijfel zaait over de resultaten van het bezonningsonderzoek. Het college heeft daarom mogen aannemen dat het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van de bezonning van de woning van eisers met zich meebrengt.
Amendement en motie van de gemeenteraad
10. Voor zover eisers onder verwijzing naar het amendement van 16 februari 2021 en de brief van het college van 2 april 2026 als reactie op de motie van de gemeenteraad van 13 november 2024, betogen dat het college heeft toegezegd dat de komende tijd niet van de maximaal toegestane bouwhoogte en andere bouwregels van het omgevingsplan wordt afgeweken, overweegt de voorzieningenrechter dat uit deze stukken niet blijkt dat sprake is van een concrete toezegging dat niet meer met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zal worden afgeweken van de geldende regels van het omgevingsplan.
De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat uit het aangenomen amendement slechts blijkt dat het bestemmingsplan “Verzamelplan Kernen” met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogte wordt gewijzigd. Nog daargelaten dat op onderhavig bouwplan een ander bestemmingsplan van toepassing is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat hiermee is toegezegd dat in dit specifieke geval niet zal worden afgeweken. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de raad in de motie aan het college verzoekt om de bouwmogelijkheden in de gemeente Westland gelijk te trekken en daarbij de zoveel mogelijk de meest soepele regels toe te passen. Uit de brief van het college van 2 april 2026 volgt dat de gemeente bezig is met een 2e wijziging van het omgevingsplan, waarin alle bestemmingsplannen die als tijdelijk deel onderdeel uitmaken van het omgevingsplan te worden opgenomen in één omgevingsplan, waarbij sprake zal zijn van een beleidsarme wijziging, waarin alle huidige bestemmingsplannen qua regels en planverbeelding worden opgenomen. Van een concrete toezegging dat helemaal niet meer van de regels van het omgevingsplan zal worden afgeweken is geen sprake. Het betoog slaagt niet.
Advies van de gemeenteraad
11. Eisers betogen dat het college de gemeenteraad om advies had moeten vragen, alvorens de omgevingsvergunning te verlenen. Zij voeren aan dat sprake is van een geval waarin een adviesrecht voor de gemeenteraad geldt, omdat in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2025 [6] is overwogen dat de gemeenteraad van Westland een zwaarwegende rol had moeten spelen bij plannen met een grote impact.
11.1.
Uit artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet volgt dat de gemeenteraad in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen in de door hem aangewezen gevallen over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
11.2.
De gemeenteraad van Westland heeft de ‘beleidsregel verzwaard adviesrecht Westland 2022’ (de beleidsregel) vastgesteld. Deze lijst bevat de gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de gemeenteraad als adviseur in de zin van artikel 16.15, eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet wordt aangewezen.
11.3.
Ter zitting hebben eisers desgevraagd erkend dat het onderhavige bouwplan niet onder deze beleidsregel valt. Reeds daarom was het college niet verplicht de gemeenteraad om advies te vragen alvorens de omgevingsvergunning te verlenen.
11.4.
Voor het oordeel dat, zoals eisers betogen, het college de gemeenteraad onverplicht om advies had moeten vragen, bestaat geen grond in de relevante wet- en regelgeving. Het betoog slaagt niet.
Participatie
12. De Voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun betoog dat de voorbereidingsprocedure van de omgevingsvergunning onzorgvuldig is doorlopen, aangezien nauwelijks participatie van bewoners heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel een uitgangspunt van de Omgevingswet is. Uit artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet volgt dat de gemeenteraad gevallen van activiteiten kan aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend. De voorzieningenrechter overweegt dat de gemeenteraad geen lijst van gevallen van activiteiten als bedoeld in artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet heeft vastgesteld. Reeds daarom kan geen sprake zijn van verplichte participatie. Het betoog slaagt niet.
Overschrijding van de beslistermijn
13. Voor zover eisers betogen dat een bouwverbod had moeten gelden tot het einde van de bezwaarprocedure, omdat het college de beslistermijn op hun bezwaren met twee maanden heeft overschreden, overweegt de voorzieningenrechter dat een bezwaarschrift geen schorsende werking heeft en dat eisers hangende de bezwaarprocedure een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hadden kunnen indienen. Een bouwverbod was reeds daarom niet noodzakelijk. Ook overigens is gebleken dat vergunninghouders niet zijn gestart met de realisatie van het bouwplan, zodat het door eisers gevreesde scenario zich ook niet heeft voorgedaan. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep van [eiser 3] is niet-ontvankelijk, omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het bestreden besluit. Het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] is ongegrond. Omdat de beroepen respectievelijk niet-ontvankelijk en ongegrond zijn, bestaat ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.
14.1.
Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep van [eiser 3] niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] ongegrond;
  • wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
3.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285, r.o. 7.2
6.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26225.