Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9704

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL25.42144 en NL25.42146
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3.14 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onzorgvuldige belangenafweging en ontbreken hoorzitting

Eiser, geboren in 2006 en met de Britse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij zijn referente te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af vanwege het niet voldoen aan het leeftijdsvereiste van 21 jaar en het ontbreken van bewijs voor een duurzame en exclusieve relatie. Tijdens de beroepsprocedure trouwden eiser en referente op 16 januari 2026.

Eiser voerde meerdere gronden aan tegen het besluit, waaronder strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onvoldoende motivering van het leeftijdsvereiste, onjuiste belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro en het niet horen van eiser en referente. De rechtbank oordeelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat verweerder geen hoorzitting hield, waardoor geen goede afweging kon worden gemaakt over de evenredigheid van het leeftijdsvereiste in dit specifieke geval.

Tijdens de zitting bleek dat referente mantelzorg verleent aan haar moeder en eiser soms de zorg overneemt, wat de belangen van eiser en referente versterkt. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan.

Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J. Smeets op 15 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onzorgvuldige belangenafweging en ontbreken van hoorzitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.42144 en NL25.42146
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Sánchez Rhemrev).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eisers echtgenote [referente] (referente), de gemachtigde van eiser, K. Ghanmi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Britse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Allereerst voldoet eiser niet aan het leeftijdsvereiste [1] , omdat hij niet 21 jaar of ouder is. Hij valt niet onder de uitzondering op deze eis [2] , omdat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap dat al bestond in Groot-Brittannië. Er is niet gebleken van zwaarwegende omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afzien van het leeftijdsvereiste. Daarnaast heeft eiser onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat er tussen hem en referente sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Eiser heeft ook niet aangetoond dat hij ongehuwd is en dat hij aan het middelenvereiste voldoet. Verder zijn er geen ingevulde en ondertekende ‘verklaring referent’, relatieverklaring en antecedentenverklaring overgelegd. Er is geen reden om door bijzondere omstandigheden van de beleidsregels af te wijken [3] . Verweerder heeft ook een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser.
3.2.
Eiser en referente zijn tijdens de beroepsprocedure, op 16 januari 2026, met elkaar getrouwd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – zeven gronden aan. Allereerst verzoekt eiser al hetgeen hij eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, betrekkelijke verdragsrechtelijke verplichtingen en relevante wet- en regelgeving. Ten derde heeft verweerder ten onrechte aan eiser het leeftijdsvereiste tegengeworpen, omdat verweerder niet heeft betrokken dat eiser en referente verloofd zijn en dat hun partnerschap al is ontstaan in Groot-Brittannië. Ten vierde heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden afgeweken van het leeftijdsvereiste gelet op de aangevoerde zwaarwegende omstandigheden. Verweerder heeft hierbij onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser en referente, namelijk de verloving, de duurzame relatie, het recht om te trouwen op eigen tempo, de onwenselijkheid van de indirecte dwang, de cruciale maatschappelijke rol van referente als verpleegkundige en haar rol als mantelzorger. Ten vijfde heeft verweerder een onjuiste belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, door de belangen van de staat niet in de beoordeling te betrekken. Ten zesde zijn de gevolgen van het besluit onevenredig, onder meer omdat eiser en referent indirect worden gedwongen om versneld te trouwen of om naar Groot-Brittannië te verhuizen. Ten slotte heeft verweerder eiser niet gehoord, wat in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Had verweerder eiser en referente moeten horen?
6. Een van de voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning die eiser heeft aangevraagd, is dat eiser en referente 21 jaar of ouder moeten zijn. Het leeftijdsvereiste heeft als doel om gedwongen huwelijken te voorkomen. Verweerder kan onder meer afwijken van het leeftijdsvereiste als het vasthouden aan het vereiste voor eiser en referente gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het leeftijdsvereiste te dienen doel. [4]
6.1.
De rechtbank is van oordeel het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen [5] omdat verweerder eiser en referente had moeten horen in bezwaar. De rechtbank overweegt dat verweerder zonder hoorzitting geen goede afweging heeft kunnen maken of het vasthouden aan het leeftijdsvereiste in het specifieke geval van eiser evenredig is. Tijdens een hoorzitting had verweerder eiser en referente kunnen vragen naar hun persoonlijke situatie, eventuele nadelige gevolgen en het doel van het leeftijdsvereiste. Tijdens de zitting is namelijk naar voren gekomen dat referente mantelzorg geeft aan haar moeder, omdat zij verschillende medische problemen heeft en zorg mijdend is. Volgens referente neemt eiser de zorg voor haar moeder soms over als zij aan het werk is en is er verder niemand die de zorg voor haar moeder kan overnemen. Daarnaast heeft eisers gemachtigde tijdens de zitting toegelicht dat vasthouden aan het leeftijdsvereiste niet kan bijdragen aan het beoogde doel hiervan. Eisers gemachtigde heeft gesteld dat uithuwelijking niet aan de orde is. In dit verband heeft de gemachtigde aangevoerd dat eiser een man is, en dat zijn enige familielid, zijn oma, het juist niet eens is met het huwelijk tussen eiser en referente. Verder heeft eiser geen familie.
7. Gelet op het voorgaande, hoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] .
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2802,-. [7]
11. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van
€ 388,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 388,- moeten vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.14, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Op grond van paragraaf B7/3.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
4.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb.
5.In strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.
7.1 punt voor het verschijnen op de zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.