Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
23/6638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 bestemmingsplanArt. 11.2.1 bestemmingsplanArt. 3.1.2 BroArt. 4:1 Nota Parkeernormen Den Haag 2021Art. 4:2 Nota Parkeernormen Den Haag 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor verbouwing en extra bouwlaag wegens parkeernormen en bouwhoogte

Eiser heeft twee aanvragen ingediend voor een omgevingsvergunning: de eerste voor het veranderen van een winkel met woning tot drie woningen, de tweede voor het toevoegen van een extra bouwlaag met een zelfstandige woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees beide aanvragen af vanwege onvoldoende parkeergelegenheid en overschrijding van de maximale bouwhoogte volgens het bestemmingsplan en de Nota Parkeernormen Den Haag 2021.

Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde de bezwaren ongegrond. De rechtbank toetste de besluiten en oordeelde dat het college terecht de vergunningen had geweigerd. De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat geen parkeereis mocht worden gesteld en dat parkeerplaatsen niet per se op eigen perceel hoefden te liggen. Ook het beroep op onevenredigheid slaagde niet.

Daarnaast stelde eiser een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank constateerde een overschrijding van ruim 14 maanden en kende een schadevergoeding van €1500 toe, waarvan €500 voor het college en €1000 voor de Staat. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding werden deels vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de omgevingsvergunningen wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6638

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigden: mr. A.C. Visser en mr. S.J.C. Hocks)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van twee aanvragen om een omgevingsvergunning voor het veranderen van het pand aan de [adres] . Eiser is het niet eens met de beslissing van het college. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. Eiser vraagt ook om schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden de aanvragen om een omgevingsvergunning heeft afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Eiser krijgt wel een schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 september 2022 heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het in- en uitwendig veranderen van winkel en woning tot drie woningen aan de [adres] afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 30 september 2022 heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor het veranderen en vergroten van de winkel aan de [adres] door het maken van een extra bouwlaag met daarin één zelfstandige woning afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 september 2023 heeft het college de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 1 en 30 september 2022 ongegrond verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 1 maart 2022 (de eerste aanvraag) heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het in- en uitwendig veranderen van de winkel met woning [adres] tot drie woningen. Aangevraagd is verder de wijziging van de functie ‘winkel’ naar de functie ‘wonen’.
3.1.
Op 11 mei 2022 (de tweede aanvraag) heeft eiser ook een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het maken van een extra bouwlaag ten behoeve van een zelfstandige woning. Het betreft een aanvraag ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’ ten behoeve van het overschrijden van de bouwhoogte.
3.2.
Met het besluit van 1 september 2022 heeft het college de eerste aanvraag afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 15, onder j, van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” voor wat betreft het voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
3.3.
Met het besluit van 30 september 2022 heeft het college de tweede aanvraag afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 11.2.1 van het bestemmingsplan, omdat de maximale goot- en bouwhoogte worden overschreden. Afwijking is volgens het college mogelijk via de kruimelregeling. Het college is echter niet bereid om deze afwijking toe te staan, omdat niet wordt voldaan aan de Haagse bezonningsnorm. Uit de bezonningsstudie is niet op te maken dat er in elk geval sprake zal zijn van een bezonning van ten minste 2 uur op de meetpunten van de beide onderzochte woningen. Verder voldoet het bouwplan niet aan de parkeereis en ontbreekt een ruimtelijke onderbouwing voor het onvoldoende voorzien in de parkeergelegenheid.
3.4.
Eiser heeft tegen de besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Het college stelt – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie - zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van de vrijstellingsbepalingen onder de Nota Parkeernormen Den Haag 2021 (hierna: Nota 2021) en dat daarom moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waar de bouwplannen echter niet in voorzien. Hiermee wordt niet voldaan aan de artikelen 4:1 (parkeren op eigen terrein), 4:2 (parkeren elders dan op eigen terrein) en artikel 4:4 (kwaliteitseisen) van de Nota 2021, aldus het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De beide aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Het bestemmingsplan
5. Ter plaatste gelden de bestemmingsplannen “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan) en “Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten” (Parapluherziening). Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen-1’ en de functieaanduiding ‘detailhandel’.
Relevante regelgeving
6. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage.
Intrekking beroepsgrond
7. Eiser heeft de grond met betrekking tot het onverbindend verklaren van artikel 15, onder j, van het bestemmingsplan wegens strijd met de rechtszekerheid ter zitting ingetrokken.
Goede procesorde
8. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de omvang van de parkeereis niet juist is berekend. Nu deze grond pas ter zitting naar voren is gebracht en er geen goede reden is gebleken waarom dat niet eerder is gebeurd, zal de rechtbank deze grond wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten.
Mag er een parkeereis worden gesteld?
9. Eiser voert aan dat op grond van artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geen aanvullende parkeereis mag worden gesteld bij een wijziging van het gebruik. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraken van 9 mei 2018 [1] en 6 maart 2024 [2] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.1.
Op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. De rechtbank overweegt dat de vergelijking met de uitspraak van 9 mei 2018 niet opgaat, omdat in die zaak geen omgevingsvergunning was vereist, waardoor er geen sprake was van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. In onderhavig geval is echter wel sprake van een dergelijke bevoegdheid, omdat voor de voorgenomen activiteit een omgevingsvergunning is vereist. Ook de uitspraak van 6 maart 2024 biedt geen steun voor het betoog van eiser. In die zaak ging het om een bepaling in een bestemmingsplan die de splitsing van ‘bestaande’ woningen verbood, en moest worden beoordeeld of het daarbij ging om feitelijk of juridisch bestaande woningen. In onderhavig geval zien de aanvragen echter op het realiseren van nieuwe woningen die er ook feitelijk nog niet zijn, zodat het onderscheid tussen feitelijk en juridisch bestaande woningen hier niet relevant is. Uit artikel 3.1.2 en uit de aangehaalde uitspraken volgt dus niet dat bij een vergunningplichtige activiteit als waar het hier om gaat geen parkeereis mag worden gesteld. Het betoog slaagt niet.
‘Eigen terrein’
10. Eiser voert aan dat in de Nota 2021 ‘eigen terrein’ wordt gedefinieerd als terrein waarover de initiatiefnemer kan beschikken. Eiser stelt dat daaruit volgt dat de parkeerplaatsen niet per se op hetzelfde perceel hoeven te liggen als het bouwplan en dat een initiatiefnemer niet de eigenaar hoeft te zijn van de parkeerplaatsen. Omdat hij de mogelijkheid heeft een of meer plaatsen te huren in de directe omgeving van het bouwplan, hadden volgens hem de vergunningen niet op dit punt mogen worden geweigerd.
10.1.
In artikel 15, onder j, van het bestemmingsplan is bepaald dat indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, een gebouw of functie alleen mag worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald op basis van de parkeernormen, parkeereisen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de Nota 2021, aldus artikel 15, onder k, onder 1 van het bestemmingsplan.
10.2.
In de Nota 2021 is ‘eigen terrein’ gedefinieerd als ‘grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ruimtelijke activiteit dan wel in de directe nabijheid binnen de in bijlage 5 [lees: bijlage 6] genoemde maximale loopafstanden van de ruimtelijke activiteit’. Omdat ter plaatse geen sprake is van betaald parkeren, gelden de vrijstellingsmogelijkheden van artikel 2:1 en Pro 2:2 van de Nota 2021 niet. Dat betekent dat de initiatiefnemer dient te voorzien in de autoparkeereis volgens hoofdstuk 4. Dat hoofdstuk bevat in artikel 4:1 een Pro bepaling met het opschrift ‘Voorzien in de autoparkeereis op eigen terrein’, en in artikel 4:2 een Pro bepaling met het opschrift ‘Elders dan op eigen terrein voorzien in de autoparkeereis’. De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiser dat hij voor een langere periode de benodigde parkeerplaats(en) kan huren en dat om die reden sprake is van een terrein waarover hij beschikt, zodat de manier waarop aan de parkeereis moet worden voldaan wordt bepaald door artikel 4:1. Als uitsluitend wordt gekeken naar de definitie van ‘eigen terrein’ zou deze redenering goed te volgen zijn. Kijkend naar de onderlinge verhouding tussen artikel 4:1 en Pro artikel 4:2 en Pro naar de inhoud van de beide bepalingen, lijkt echter logischerwijs bedoeld te zijn dat artikel 4:1 geldt Pro voor de situatie waarin de initiatiefnemer aan de parkeereis wil voldoen met gebruik van grond waarvan hij de eigenaar is, terwijl artikel 4:2 is Pro bedoeld voor de situatie waarin aan die eis wordt voldaan met gebruik van grond die in eigendom is bij iemand anders. Het feit dat in artikel 4:2 van Pro de Nota 2021 wordt verwezen naar ‘andermans eigen terrein’ bevestigt deze uitleg. Gelet hierop is in dit geval artikel 4:2 van Pro de Nota 2021 van toepassing. Nu dat artikel onder a de voorwaarde stelt dat de parkeereis minimaal 10 parkeerplaatsen bedraagt en aan die voorwaarde niet wordt voldaan, heeft het college de omgevingsvergunningen wat dit punt betreft op juiste gronden geweigerd.
Evenredigheid
11. Eiser voert verder aan dat de weigering van de vergunningen onevenredig is, omdat het bouwplan extra woonruimte creëert en de vergunningen enkel op grond van de parkeernormen zijn geweigerd, terwijl het bouwplan voor het overige wel binnen het bestemmingsplan past.
11.1.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwplan moet worden getoetst aan het bestemmingsplan. In beginsel moet de aanvraag worden afgewezen – behoudens afwijking – bij strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan. Dat geldt ook als het gaat om strijd met planregels over parkeervoorzieningen. De rechtbank overweegt dat het enkele gegeven dat het bouwplan voorziet in woonruimte en voor het overige binnen de bouwregels van het bestemmingsplan past, onvoldoende is om te concluderen dat de weigering van de gevraagde vergunningen onevenredig belastend is. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Overschrijding redelijke termijn
12. Eiser heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
12.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en een beroepsprocedure, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
12.2.
Op 14 respectievelijk 27 oktober 2022 heeft het college de bezwaarschriften van eiser ontvangen. Nu de rechtbank heden uitspraak doet, is de redelijke termijn met ruim 14 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1500,-.
12.3.
Omdat de overschrijding zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden maar de overschrijding in de rechterlijke fase groter is, zal de rechtbank het college veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,- en de Staat veroordelen tot een schadevergoeding van € 1000,-.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de weigering van de beide vergunningen in stand blijft.
14. Voor een proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van het beroep bestaat geen aanleiding. De schadevergoeding wegen overschrijding van de redelijke termijn wordt zoals hiervoor besproken aan eiser toegekend. De proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met de indiening van het verzoek om schadevergoeding worden vergoed tot een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding deels aan het college en deels aan de Staat moet worden toegerekend worden beide veroordeeld tot vergoeding van de helft van dit bedrag.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiser tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiser tot een bedrag van € 1000,-;
  • veroordeelt het college en de Staat in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding, beide tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Bestemmingsplan [bestemmingsplan]
Artikel 15:
indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, mag een gebouw of functie alleen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort;
of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenhed, zoals genoemd onder a wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in: 1. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging (…);
burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen Den Haag en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning.
Nota Parkeernormen Den Haag 2021
Artikel 4:1 Voorzien Pro in de autoparkeereis op eigen terrein:
In principe wordt op eigen terrein de autoparkeereis voorzien, daaraan kunnen de volgende aanvullende voorwaarden worden gesteld:
a. voorwaarden aan de aard, de plaats en de inrichting van de inpassing in het gebouw of de omgeving;
b. de bereikbaarheid en verkeersveiligheid, waarbij een mogelijke wachtrij niet de stedelijke hoofdwegen, zoals bedoeld in de Kadernota Straten Wegen Lanen, blokkeert;
c. de flexibiliteit van parkeervoorzieningen, zoals de mogelijkheid tot, al dan niet gedeeltelijke, aanpassing van de parkeervoorziening van gebruik door auto naar fiets en vice versa;
d. bij gebruik en beheer van collectieve garages, kunnen in het geval van gebiedsontwikkelingen eisen worden gesteld aan besluitvorming, kettingbeding en informatieoverdracht tussen initiatiefnemer en toekomstige eigenaren en gebruikers.
Artikel 4:2 Elders Pro dan op eigen terrein voorzien in de autoparkeereis :
Het college kan geheel of gedeeltelijk besluiten dat elders op andermans eigen terrein wordt voorzien in de autoparkeereis, indien:
a. de autoparkeereis minimaal 10 parkeerplaatsen betreft;
b. structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, middels een overeenkomst aan te tonen, een alternatieve parkeervoorziening beschikbaar is binnen een loopafstand opgenomen in bijlage 6, onder voorwaarde dat:
1˚ de alternatieve parkeervoorziening op een ander privéterrein of in een andere garage of parkeerbox gelegen is;
2˚ de alternatieve parkeervoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen, zoals opgenomen in artikel 4:4; en
3˚de parkeerplaatsen in de alternatieve parkeervoorziening niet al eerder zijn toegewezen aan een andere bouwontwikkeling om te voorzien in de parkeereis.
c. de aanvrager bewijs aanlevert dat de beoogde parkeerplaatsen ten tijde van ingebruikname beschikbaar zijn;
d. de bewoners of gebruikers van de bouwontwikkeling niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning, indien de parkeerplaatsen in de alternatieve parkeervoorziening niet (meer) beschikbaar blijken te zijn; en
e. de aanvrager de bewoners of gebruikers van de bouwontwikkeling bij verkoop of verhuur vooraf informeert over de parkeersituatie bij de bouwontwikkeling.