Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.19520
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 4 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met als doel de identiteit en nationaliteit vast te stellen en gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van een asielaanvraag. Eiser, van Turkse nationaliteit, heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft op 16 april 2026 de zaak behandeld. De minister heeft de zware grond 3i (weigering tot terugkeer) ter zitting laten vallen, maar de overige gronden zijn niet betwist door eiser en worden als voldoende geacht om de bewaring te dragen. Eiser stelde dat zijn psychische problemen het moeilijk maken om in detentie te verblijven en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen andere minder dwingende en doeltreffende maatregelen dan de inbewaringstelling mogelijk zijn. De minister heeft gemotiveerd dat eiser passende medische zorg kan ontvangen in het detentiecentrum en dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser onder specialistische behandeling staat. De stelling van eiser dat detentie hem zwaar valt is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank ziet ook ambtshalve geen onrechtmatigheid in de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19520

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Ter zitting heeft de minister de zware grond 3i laten vallen.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de overgebleven gronden in beginsel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
5. Eiser voert aan dat hij zich gelet op zijn psychische problemen moeilijk kan handhaven in detentie en dat het op de weg van de minister had gelegen om een lichter middel dan een inbewaringstelling toe te passen.
6. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de afweging of met een lichter middel kon worden volstaan betrokken dat eiser passende medische zorg kan krijgen in detentie. De minister wijst er terecht op dat uit het dossier niet is gebleken dat eiser onder medische behandeling van een specialist staat. Eiser is daarnaast blijkens de motivering uit de maatregel bezocht door een arts die heeft aangegeven geen risico te zien bij oplegging van een bewaringsmaatregel. Eiser krijgt een intake bij de medische dienst in het detentiecentrum en de minister heeft erop gewezen dat er gespecialiseerde zorg aanwezig is in het detentiecentrum voor mensen die zich moeilijk kunnen handhaven vanwege psychische problemen. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat detentie hem zwaar valt, is onvoldoende voor het oordeel dat eiser detentieongeschikt is of dat de minister met de toepassing van een lichter middel had moeten volstaan. Evenmin zijn voor zo'n oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. [1]
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.