Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.19251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onttrekkingsrisico en motiveringsgebrek handboeien

Eiser, een Poolse vreemdeling, werd op 21 maart 2026 vreemdelingenrechtelijk staandegehouden en in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens het transport werden handboeien aangelegd, maar de motivering hiervoor ontbrak in het proces-verbaal. De minister hief de bewaring op op 10 april 2026. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid.

De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een motivering voor het gebruik van handboeien een gebrek in het voortraject vormt, maar dit leidt niet automatisch tot onrechtmatigheid van de bewaring. De belangenafweging valt uit in het nadeel van eiser vanwege het onttrekkingsrisico, de korte duur van het gebrek en de snelle uitzetting naar Polen. De zware gronden 3c en 3i en lichte gronden 4c en 4d zijn voldoende om de bewaring te dragen.

Eiser voerde aan dat hij onderdak en begeleiding had via Stichting Barka en dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting. De rechtbank stelt vast dat de minister adequaat en tijdig heeft gehandeld, met een vertrekgesprek, terug- en overnameverzoek, en vluchtakkoord binnen enkele weken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19251

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 10 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben ingestemd met het schriftelijk uitwisselen van standpunten. Eiser heeft op 8 april 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 16 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 16 april 2026 om 17:01 uur.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Het voortraject

3. Eiser is op 21 maart 2026 vreemdelingrechtelijk staandegehouden nadat hij was staandegehouden naar aanleiding van het plegen van overlast en het niet kunnen tonen van een vervoersbewijs op station Leiden. Eiser kon zich niet legitimeren, maar uit de politiesystemen bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland omdat bij beschikking van 26 januari 2026 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Nadat de verbalisanten in de politiesystemen hadden gezien dat de vreemdeling mogelijk geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland en zij contact hadden opgenomen met de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), hebben zij hem vreemdelingenrechtelijk staande gehouden. Vervolgens is eiser overgebracht naar een plaats bestemd voor gehoor. Bij deze overbrenging zijn bij de vreemdeling handboeien aangelegd. Eiser voert aan dat onduidelijk is waarom handboeien zijn gebruikt bij zijn transport.
4. De minister erkent in het verweerschrift dat de reden van het aanleggen van handboeien onvoldoende is gemotiveerd in het proces-verbaal van ophouding (M105-A). De minister stelt zich echter op het standpunt dat een gebrek in het voortraject niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring leidt. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de gebreken en de daardoor geschonden belangen. De minister stelt zich op het standpunt dat hier geen sprake van is.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Een (ernstig) gebrek in een maatregel van bewaring heeft niet per definitie tot gevolg dat daardoor die maatregel onrechtmatig is. Bij gebreken die niet rechtstreeks de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring of het voortduren ervan aantasten, is namelijk ruimte voor een belangenafweging. Volgens vaste rechtspraak [1] van de Afdeling [2] is een maatregel van bewaring onrechtmatig als de met deze bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico (zie overweging 8). Verder is eiser binnen afzienbare tijd, op 10 april 2026, uitgezet naar Polen en eiser heeft niet toegelicht op welke wijze hij concreet in zijn belangen is geschaad doordat onvoldoende is gemotiveerd dat gebruik is gemaakt van handboeien tijdens zijn overbrenging. Daarbij komt dat dit gebrek in het voortraject maar kort heeft geduurd: eiser was hooguit van 21:20 uur (moment ophouding) tot 21:48 uur (aankomst plaats verhoor) geboeid. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het onrechtmatig aanleggen van handboeien een zwaarder gewicht in de schaal legt dan het belang van de minister om de vreemdeling in bewaring te houden. Dit gebrek leidt dan ook niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Ten aanzien van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser voert aan dat hij een formulier bij zich had waaruit blijkt dat hij aangifte had gedaan van vermissing van zijn paspoort. Daarnaast had hij onderdak en begeleiding via Stichting Barka. Omdat stichting Barka bezig was om eisers vertrek te realiseren gaan de lichte gronden volgens hem niet op. Wat eiser al dan niet heeft verklaard over zijn vertrek is daarbij niet doorslaggevend, zijn handelingen wel. Verder heeft eiser weliswaar een aanzegging ontvangen dat hij Nederland dient te verlaten, maar zolang hij aantoonbaar bezig was dit te realiseren, is onduidelijk hoe deze grond hem kan worden tegengeworpen. Dat eiser heeft aangegeven graag in Nederland te willen blijven, doet hier niet aan af gelet op zijn acties. De minister heeft geen navraag gedaan bij de Poolse ambassade om te verifiëren of eiser al dan niet de waarheid spreekt.
8. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Zoals volgt uit de rechtspraak [3] van de Afdeling kan bij de zware gronden onder 3c en 3i in het algemeen worden volstaan met een feitelijke toelichting. De feitelijke juistheid van die zware gronden geeft in beginsel grond om aan te nemen dat aan het vereiste van een risico op onttrekken is voldaan. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de gronden 3c en 3i niet betwist, naar het oordeel van de rechtbank konden deze gronden aan de maatregel ten grondslag worden gelegd. Dat eiser stelt dat hij via stichting Barka bezig is om zijn vertrek te realiseren is onvoldoende om dit onttrekkingsrisico weg te nemen.
8.1.
Ten aanzien van de lichte gronden 4c en 4d stelt de rechtbank vast dat de minister de feitelijke juistheid van deze grond heeft toegelicht en deze grond voorts heeft voorzien van een nadere toelichting. Uit deze toelichting volgt dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en ook niet beschikt over voldoende middelen van bestaan waardoor het nagenoeg onmogelijk is om toezicht op hem te houden en waardoor eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zelfstandig uit Nederland kan en zal vertrekken. Hierdoor is sprake van onttrekking aan het toezicht.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze gronden tezamen (de zware en de lichte) in beginsel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen voor het overige is aangevoerd hoeft daarom geen bespreking. Het significante risico dat eiser zich aan het toezicht onttrekt is hiermee in beginsel gegeven.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel. Volgens eiser is onduidelijk wat de in de motivering van de maatregel genoemde politieregistraties precies inhouden, en wordt er zonder nadere toelichting slechts een getal van 15 genoemd waarna de grens lijkt te zijn getrokken.
10. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser nadat hij wist dat hij het grondgebied van de Europese Unie had moeten verlaten nog in Nederland heeft verbleven, hetgeen duidelijk is door het aantal politieregistraties dat gedurende die periode op zijn naam is komen te staan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
11. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering, eiser is een Poolse onderdaan die bekend is bij de ambassade en desondanks heeft het bijna drie weken geduurd om het vertrek te realiseren.
12. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Eiser is op 22 maart 2026 in bewaring gesteld. Op 27 maart 2026 is een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is een terug- en overnameverzoek doorgezet naar DIA. Op 30 maart 2026 is een zogeheten readmission request verstuurd aan de Poolse autoriteiten. Op 1 april 2026 hebben de Poolse autoriteiten een akkoord verzonden op het terug- en overname verzoek en op 2 april 2026 is een vluchtaanvraag verzonden. Op 2 april 2026 is een vluchtakkoord ontvangen en eiser is op 10 april 2026 uitgezet. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting heeft gewerkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve beoordeling
13. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op enig moment, tot aan de opheffing daarvan, onrechtmatig is geweest. [4]
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. De rechtbank veroordeelt de minister gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5 in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijv. ECLI:NL:RVS:2023:4066, ro. 4 en 5.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Afdelingsuitspraken van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 en van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
4.Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.