Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 29 april 2024, waarna de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden heeft beslist. Eiser stelde de minister op 20 februari 2026 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, wat zorgvuldige besluitvorming vereist.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 22 april 2026.