ECLI:NL:RBDHA:2026:9763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.1033
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 onder c Vw 2000paragraaf C1/1.12 Vc 2000paragraaf C7/27.3.2 Vc 2000paragraaf C2/3.2.6 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Pakistaanse christen wegens onvoldoende aannemelijkheid brandstichting en bedreiging

Eiseres, een Pakistaanse christen van de Punjabi bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in na een incident waarbij haar naaischool in Pakistan in brand werd gestoken en zij bedreigd werd. Zij vreesde vervolging vanwege haar religie en de brandstichting. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende onderbouwing en aannemelijkheid van de dreiging en het vervolgingsgevaar.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende objectief bewijs leverde dat zij eigenaresse was van de naaischool of dat de brandstichting daadwerkelijk had plaatsgevonden. De kopie van de aangifte en foto’s waren onvoldoende om het asielmotief te staven. Ook was de verklaring van de kerk niet consistent met die van eiseres, wat de geloofwaardigheid aantastte.

Verder concludeerde de rechtbank dat de discriminatie als christen wel geloofwaardig was, maar niet zodanig ernstig dat het functioneren in de samenleving onmogelijk werd gemaakt. De vrees voor vervolging en ernstige schade bij terugkeer was daarom niet aannemelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1033

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kind,
[naam kind], v-nummer [nummer 2],
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft de Pakistaanse nationaliteit. Zij is christen en behoort tot de Punjabi bevolkingsgroep. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft verklaard dat zij vanaf december 2023 een naaischool heeft gehad in Pakistan. Op 21 februari 2024 is haar naaischool ’s nachts in brand gestoken door anonieme daders. Eiseres vermoedt dat dit te maken heeft met het feit dat zij daar christelijke meisjes liet werken. Op de banner bij de naaischool zou een dreigbrief zijn geplakt. Zij heeft aangifte gedaan van de brandstichting. Eiseres is een paar dagen na het incident naar haar broer gevlucht. Vervolgens is zij op 9 maart 2024 met een geldig visum voor familiebezoek naar Nederland gevlogen. Eiseres besloot vervolgens in Nederland asiel aan te vragen. Zij vreest bij terugkeer dat zij opnieuw zal worden bedreigd door deze anonieme daders. Daarnaast vreest zij dat haar of haar kinderen iets kan worden aangedaan, omdat zij christenen zijn.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de ondervonden discriminatie als christen;
3. de brandstichting en bijbehorende bedreiging.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister acht de ondervonden discriminatie als christen ook geloofwaardig. De brandstichting en bijbehorende bedreiging is niet geloofwaardig geacht door de minister. Ten aanzien van het derde asielmotief heeft de minister overwogen dat eiser de asielmotieven niet volledig heeft onderbouwd met documenten. Volgens de minister voldoet eiseres verder niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Haar verklaringen over het derde asielmotief vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens de minister heeft eiseres verder niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt of dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging bij terugkeer. Eiseres is volgens de minister daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister het bestreden besluit onzorgvuldig genomen?
5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister in het voornemen een lijst heeft opgesomd van documenten die de gemachtigde van eiseres niet heeft kunnen inzien. Deze stukken ontbraken in het dossier van eiseres en het was daarom niet mogelijk om inhoudelijk op de standpunten van de minister over de geloofwaardigheid van de brandstichting en bijbehorende dreiging in te gaan, nu deze grotendeels zijn gebaseerd op deze stukken. Eiseres had daarom aan de minister verzocht om de ontbrekende stukken alsnog over te leggen en een aanvullende termijn te geven van twee weken om de zienswijze aan te vullen. Eiseres heeft echter één dag na de door haar ingediende voorlopige zienswijze het bestreden besluit van de minister ontvangen. Eiseres is van mening dat deze werkwijze onzorgvuldig is, omdat zij analfabeet is en zelf de stukken die zij aan de minister heeft overgelegd niet kan lezen. Vanwege haar analfabetisme is het voor gemachtigde niet mogelijk om met eiseres te communiceren via de mail of voor eiseres zelf om stukken per mail door te sturen aan de gemachtigde.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat eiseres op de zitting heeft bevestigd dat zij de originele stukken heeft teruggekregen van de minister nadat de minister de documenten heeft gekopieerd tijdens het gehoor. Dat de minister normaliter de stukken aan het dossier toevoegt en dat dat nu niet volgens de gebruikelijke wijze is gebeurd, ontslaat eiseres niet van haar plicht om met haar gemachtigde haar asielrelaas te bespreken en de benodigde documenten over te leggen. De enkele stelling dat eiseres analfabeet is, maakt dat niet anders. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat van eiseres mag worden verwacht dat zij de originele documenten zelf aan haar gemachtigde ter beschikking stelt. Daar komt bij dat eiseres niet in haar belangen is geschaad, nu zij in beroep haar standpunten met betrekking tot het ongeloofwaardig geachte asielmotief kenbaar heeft kunnen maken. De rechtbank oordeelt verder dat de minister het verzoek om uitstel voor het indienen van een (nadere) zienswijze heeft mogen afwijzen, omdat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden voor uitstel die zijn genoemd in paragraaf C1/1.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar situatie, namelijk het niet kunnen overleggen van de documenten aan haar advocaat die zij wel heeft kunnen overleggen aan de minister, onder een van deze redenen voor uitstel valt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat eiseres niet beschikt over documenten en haar verklaringen het asielmotief ook niet onderbouwen?
6. Eiseres betoogt dat de minister de brandstichting en bijbehorende bedreiging ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiseres heeft ter onderbouwing een kopie aangifte, een verklaring van de kerk, een foto van een naaiatelier, een foto van een dreigbrief en een diploma van een naaicursus.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres haar verklaringen over de problemen vanwege de brandstichting en bijbehorende dreiging niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Hiertoe oordeelt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft niet met objectieve documenten onderbouwd dat zij eigenaresse was van de naaischool. De foto van de naaischool is daarvoor onvoldoende, omdat hieruit niet valt af te leiden dat eiseres de eigenaresse is. Zij heeft verder ook geen objectieve informatie kunnen overleggen om aannemelijk te maken dat de naaischool daadwerkelijk in brand is gestoken. De kopie van de aangifte van eiseres leidt niet tot een ander oordeel, omdat dat document niet op echtheid kan worden onderzocht. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de kopie van de aangifte onvoldoende is om aannemelijk te achten dat de naaischool daadwerkelijk in brand is gestoken. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar problemen vanwege een onderlinge vete tussen families geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Hiertoe oordeelt de rechtbank als volgt.
Link naaischool en eiseres
7. Eiseres voert aan dat de minister de link tussen de naaischool en eiseres ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. Eiseres heeft namelijk in haar aanmeldgehoor als in haar nader gehoor verklaard dat zij een eigen naaischool had, genaamd [naam school]. Daarbij heeft eiseres ook een foto overgelegd van de voorkant van de school, waarop de banner met de naam van de school was bevestigd. In de aangifte wordt ook haar naaischool genoemd. Verder merkt eiseres op dat uit haar visumdossier is gebleken dat zij sinds 1 maart 2018 werkzaam was als naaidocent bij de [naam stichting], maar dat dit niet uitsluit dat zij haar naaischool pas sinds december 2023 had.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als eigenaresse bij ‘[naam school]’ betrokken is geweest. De foto die eiseres heeft overgelegd van een banner met de naam van de naaischool, maakt dat niet anders. Uit die foto valt immers – zoals hiervoor overwogen – niet af te leiden dat eiseres de eigenaresse is van de naaischool. Het diploma van de naaicursus die eiseres heeft gevolgd leidt niet tot een andere conclusie nu uit het diploma niet valt af te leiden dat eiseres eigenaresse is van de naaischool. De minister hoefde daarom niet aannemelijk te achten dat de naaischool van eiseres was. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als eigenaresse van de naaischool in contact stond met christelijke meisjes en de daders van de brandstichting hiervan op de hoogte hadden kunnen zijn. Eiseres heeft namelijk ter onderbouwing van haar werkzaamheden enkel een diploma van een naaicursus overgelegd. Bovendien is uit het visumdossier gebleken dat zij sinds 1 maart 2018 als naaidocent werkzaam is geweest bij de [naam stichting]. Gelet op het voorgaande heeft de minister kunnen concluderen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onbekende daders het op eiseres persoonlijk hadden gemunt.
Naaischool in brand
8. Eiseres is verder van mening dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naaischool daadwerkelijk in brand is gestoken. Ondanks dat eiseres enkel een kopie van de aangifte heeft overgelegd, meent zij dat deze wel op echtheid onderzocht kan worden door Bureau Documenten. Verder merkt eiseres op dat zij de foto van de gevel van de naaischool heeft overgelegd als bewijs van het bestaan van haar naaischool en niet in het kader van de brand.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de naaischool daadwerkelijk in brand is gestoken. Zoals eerder overwogen heeft eiseres geen objectieve informatie kunnen overleggen om aannemelijk te maken dat de naaischool daadwerkelijk in brand is gestoken. De foto van de gevel van de naaischool is daarvoor onvoldoende, nu uit die foto niet valt te zien dat er sprake is geweest van een brand. Op de foto zijn geen brandsporen te zien. De minister heeft daarbij niet ten onrechte gesteld dat de man van eiseres regelmatig terugkeert naar de plek om te kijken, waardoor hij meerdere keren in de gelegenheid is geweest om een foto te maken van het verbrande gebouw. De minister heeft hierover kunnen stellen dat dit afdoet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. Daarnaast betreft een aangifte enkel de verklaringen die door eiseres zijn afgelegd.
Verklaringen kerk
9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte zwaar gewicht heeft toegekend aan de verklaringen van de kerk die niet overeenkomen met de verklaringen van eiseres. De pastoor van de kerk, die de brief heeft opgesteld, is zelf niet bij de brand aanwezig geweest en heeft hierover pas later vernomen, van horen zeggen. Eiseres voert ook aan dat christenen in Pakistan vaak doelwit zijn van bedreigingen en zij is ook bang dat het niet enkel bij dreigementen zal blijven. Zij heeft immers opschudding en verontwaardiging veroorzaakt door onder meer christelijke meisjes onderwijs te geven, opdat zij een betere baan zouden kunnen vinden in plaats van schoonmaakster bij een moslimgezin.
9.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van de kerk en de verklaringen van eiseres niet overeenkomen. Dat de pastoor van de kerk die de brief heeft opgesteld, zelf niet bij de brand aanwezig was maar van horen zeggen heeft vernomen over die brand, maakt dat niet anders. De pastoor heeft in zijn brief verklaard dat op de muur van de naaischool stond geschreven dat iedereen die met de naaischool werd geassocieerd, zou worden vermoord en dat eiseres persoonlijk met de dood werd bedreigd. Ook staat in die verklaring dat de naaischool is aangevallen en vernietigd. In het nader gehoor heeft eiseres echter verklaard dat de banner en de deur van de naaischool zijn verbrand en zou er worden geëist dat de naailessen niet meer moeten worden aangeboden aan christelijke meisjes, anders zouden er consequenties volgen. [1] Naar aanleiding hiervan zou niet de man van eiseres aangifte hebben gedaan, maar eiseres zelf. Nu eiseres de verklaring van de pastoor als onderbouwing van haar asielrelaas heeft overgelegd, heeft de minister kunnen tegenwerpen dat die verklaring niet overeenkomt met wat eiseres heeft verklaard en dat afdoet aan de geloofwaardigheid.
Informatie in visumdossier
10. Eiseres voert verder aan dat de minister heeft miskend dat eiseres de vliegtickets van 20 februari 2024 heeft geannuleerd, zodat niet kan worden tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de datum van brandstichting en de boeking van de vliegtickets volgens het visumdossier. Eiseres had nieuwe tickets geboekt en die vlucht zou plaatsvinden op 22 februari 2024. Verder is eiseres van mening dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres omtrent het informeren van haar zwager over de gebeurtenissen wisselend zijn. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot haar zwager na het incident had gebeld om hem te vragen om haar ticket te annuleren, omdat zij niet weg kon. Eiseres zelf heeft haar zwager toen niet gesproken. Zij heeft hem pas gesproken nadat zij was aangekomen in Nederland op 9 maart 2024. Zij heeft hem toen verteld dat zij heel erg bang was door wat er was voorgevallen en zich niet meer veilig voelde en vreesde voor haar veiligheid en de kinderen. Toen zij dit vertelde heeft haar zwager haar gewezen op de mogelijkheid om asiel aan te vragen, wat zij de volgende dag heeft gedaan. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat dit tegenstrijdig is met de verklaring van eiseres dat haar echtgenoot haar zwager eerder had ingelicht over de brandstichting. Dat was destijds juist een reden om de reis te annuleren. Dit duidt er meer op dat eiseres pas in Nederland bedacht dat zij asiel wilde aanvragen en niet al reeds daarvoor.
10.1.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen. Eiseres heeft namelijk vliegtickets voor 20 februari 2024 bijgevoegd bij de visumaanvraag. Vervolgens zou eiseres op 9 maart 2024 enkel naar Nederland zijn gereisd om haar zus te kunnen bezoeken. De stelling van eiseres dat zij pas in Nederland eiseres haar zwager zou hebben verteld over het incident waarna hij eiseres adviseerde om een asielaanvraag in te dienen komt niet overeen met de eerdere verklaringen van eiseres. Eiseres heeft namelijk verklaard dat haar man haar zwager al op 22 februari 2024 op de hoogte zou hebben gesteld van het incident. De minister heeft op de zitting ook niet ten onrechte gesteld dat nergens uit blijkt waarom de tickets van 20 februari 2024 zijn geannuleerd. De enkele stelling van eiseres op de zitting dat zij een voorlopig ticket zou hebben overgelegd, is onvoldoende. Eiseres heeft dit verder niet onderbouwd. De minister heeft op de zitting verklaard dat uit het visumdossier blijkt dat de tickets daadwerkelijk waren geboekt.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over de brandstichting geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vrees voor vervolging heeft bij terugkeer?
12. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging. Eiseres is namelijk eerder slachtoffer geworden van geweld en bedreiging, als gevolg van haar religie. Bij de brandstichting is een dreigbrief op de muur van haar naaischool achtergelaten, waarin werd gewezen op het feit dat zij onderwijs geeft aan christelijke meisjes en dat dat niet wordt getolereerd. Daar komt bij dat volgens het beleid zoals neergelegd in paragraaf C7/27.3.2 van de Vc 2000, christenen in Pakistan worden aangemerkt als risicoprofiel.
12.1.
Uit het beleid in paragraaf C2/3.2.6. van de Vc 2000 volgt dat discriminatie als daad van vervolging wordt aangemerkt als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiseres onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Pakistan. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat het enkele feit dat eiseres behoort tot een risicoprofiel, nu zij behoort tot een christelijke religieuze minderheid, onvoldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiseres vanwege het zijn van christen discriminatie heeft ondervonden. Echter, de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor eiseres onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Zo heeft eiseres documenten kunnen verkrijgen, heeft zij huisvesting gehad en heeft zij een basisopleiding en een naaicursus gevolgd. Ook heeft eiseres kunnen werken. Niet is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan de vrees tot vervolging als gegrond kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het risico voor het oplopen van ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan. Verder is het asielmotief van de brandstichting ongeloofwaardig geacht, waardoor de vrees van eiseres vanwege de brandstichting ook niet aannemelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Nader gehoor, p. 8.