Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/9199
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 7 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapArt. 9 PapsoortwetArt. 2.1 PaspoortbesluitArt. 52 Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake vervallen Nederlandse identiteitskaart en nationaliteitsverlies

Verzoekster, geboren in 1965 en van Nederlandse afkomst, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit dat haar Nederlandse identiteitskaart van rechtswege is vervallen vanwege het verkrijgen van de [land 2] nationaliteit door naturalisatie in 1989. Verzoekster betoogt dat zij haar Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren en dat het besluit onevenredige gevolgen heeft.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat verweerder heeft toegezegd dat verzoekster en haar kinderen hun Nederlandse ID-kaarten niet hoeven in te leveren gedurende de bezwaarprocedure en hun persoonsgegevens niet worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig omdat de complexe rechtsvraag over het verlies van de nationaliteit nader onderzoek vereist.

De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukt dat de bezwaarprocedure het juiste middel is om de zaak inhoudelijk te beoordelen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9199

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [land 1], verzoekster

(gemachtigde: mr. H. de Voer),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Geraedts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend hangende het door haar ingestelde bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november waarin haar is medegedeeld dat haar Nederlandse identiteitskaart (hierna: ID-kaart) van rechtswege is vervallen en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als zij haar Nederlandse ID-kaart niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1].
1.1.
Verweerder heeft op de voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is op [geboortedatum] 1965 geboren in [geboorteplaats] en verkreeg via haar Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Op enig moment is zij met haar ouders naar [land 2] vertrokken. Bij besluit van 6 mei 1980 hebben de [land 2] autoriteiten verzoekster als minderjarige door voorlopige naturalisatie de [land 2] nationaliteit verleend. Bij besluit van 5 september 1989 is deze naturalisatie definitief geworden. Verzoekster beschikt over een [land 2] paspoort dat is afgegeven op 16 juni 2016 en geldig is tot 15 juni 2026.
2.1.
Sinds 8 september 1990 woont verzoekster in [land 1], alwaar zij in het huwelijk is getreden met de [echtgenoot] die beschikt over de [land 1] nationaliteit. Met haar echtgenoot heeft zij vijf kinderen gekregen, te weten [kind 1] (1993), [kind 2] (1994), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en [kind 5] (2007) (hierna: de kinderen van verzoekster). Alle kinderen van verzoekster verkregen door geboorte de [land 1] nationaliteit en beschikken over een [land 1] paspoort. Verzoekster zelf beschikt over een [land 1] verblijfsvergunning zonder vervaldatum die is afgegeven op 10 oktober 2006.
2.2.
Op 9 oktober 2025 heeft verzoekster bij de Nederlandse ambassade in [land 1] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat verzoekster het Nederlanderschap op 14 september 1989 van rechtswege heeft verloren omdat zij op die datum de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. [1] Met het besluit van 13 november 2025 heeft verweerder daarom de paspoortaanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld. [2] Verder heeft verweerder verzoekster met het primaire besluit medegedeeld dat de laatstelijk op 14 augustus 2025 aan verzoekster verstrekte Nederlandse ID-kaart van rechtswege is vervallen [3] en de persoonsgegevens die hierop staan zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als zij haar ID-kaart niet binnen twee weken inlevert bij de Nederlandse ambassade in [land 1]. [4]
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, in casu dat zij de Nederlandse nationaliteit behoudt, een Nederlands reisdocument aan haar wordt verstrekt en dat haar persoonsgegevens niet in het Register Paspoortsignaleringen zullen worden opgenomen.
Zij betoogt allereerst dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden en draagt daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. De door verweerder genoemde verliesgrond van het Nederlanderschap is hier niet van toepassing omdat verzoekster bij besluit van 6 mei 1980 als minderjarige zelfstandig de [land 2] nationaliteit heeft verkregen door naturalisatie. De [land 2] autoriteiten hebben haar toen ook een [land 2] paspoort en een [land 2] ID-kaart toegekend. Op grond van de [land 2] wetgeving moet een minderjarige, die op deze wijze de [land 2] nationaliteit heeft verkregen, binnen twee jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd bevestigen of hij of zij de [land 2] nationaliteit ook wil behouden. Dat heeft zij op 14 september 1989 gedaan. Dit gaat echter om een herbevestiging en laat onverlet dat verzoekster de [land 2] nationaliteit al op 6 mei 1980 heeft verkregen. Ter ondersteuning van deze opvatting heeft verzoekster een legal opinion van [naam] ingebracht en verwezen naar de landeninformatie in de database VIND Burgerzaken. Voorts geeft verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Tot slot heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door zich bij de besluitvorming slechts te baseren op een niet-vertaalde [land 2] naturalisatieakte.
Mocht het aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoekster. Naast het feit dat de persoonsgegevens van haar en die van haar kinderen zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen als zij hun reisdocumenten niet tijdig inleveren, geldt dat haar [land 1] verblijfsvergunning is gebaseerd op haar Nederlandse nationaliteit en paspoort. Als zij hiervan verstoken blijft, dan kan zij zichzelf in [land 1] dus niet identificeren, met alle gevolgen van dien. Ook is het hierdoor voor haar onmogelijk geworden om te reizen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
Met het e-mailbericht van 29 december 2025 heeft verweerder aangegeven dat verzoekster en haar kinderen in ieder geval gedurende de bezwaarprocedure hun Nederlandse ID-kaarten nog niet hoeven in te leveren en dat hun persoonsgegevens nog niet zullen worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom van verzoekster niet zou kunnen worden gevergd om de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift af te wachten en is daarom van oordeel dat bij verzoekster het spoedeisende belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig
5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
5.1.
De beantwoording van de vraag die in deze zaak centraal staat, namelijk of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de betreffende verliesgrond van het Nederlanderschap op verzoekster van toepassing is omdat zij op 14 september 1989 als meerderjarige vrijwillig de [land 2] nationaliteit zou hebben verkregen, leent zich niet voor een voorlopige voorzieningenprocedure. De bezwaarprocedure leent zich bij uitstek voor de beantwoording van een dergelijke complexe rechtsvraag, wat ook blijkt uit het feit dat verweerder hierover op 29 januari 2026 een advies heeft gevraagd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en ook de [land 2] autoriteiten heeft geconsulteerd. Dat betekent dat hiernaar nog nader onderzoek moet worden verricht. Net als verweerder vindt de voorzieningenrechter dat de door verzoekster ingebrachte legal opinion hierover onvoldoende uitsluitsel geeft omdat deze niet afkomstig is van de [land 2] autoriteiten. Pas als op dit onderdeel de nodige duidelijkheid bestaat, komt de vraag aan de orde of het eventuele verlies van het Nederlanderschap door verzoekster van rechtswege onevenredige Unierechtelijke gevolgen voor haar heeft. Ook deze kwestie leent zich dus niet voor een beoordeling in een voorlopige voorzieningenprocedure. Voor wat betreft het overige dat door verzoekster is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.
2.Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Papsoortwet jo. artikel 2.1 van het Paspoortbesluit jo. artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.
3.Op grond van artikel 47, eerste lid, onder a jo. artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet jo. artikel 2.16 van het Paspoortbesluit.
4.Op grond van artikel 56 van Pro de Paspoortwet.