ECLI:NL:RBDHA:2026:9765
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring na opheffing ongegrond
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, was onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 21 november 2025 werd opgelegd. Deze maatregel werd op 1 april 2026 opgeheven omdat eiser was uitgezet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds beoordeeld in een eerdere uitspraak van 31 maart 2026, waarin werd vastgesteld dat de bewaring tot 27 maart 2026 rechtmatig was. De beoordeling in deze zaak richtte zich daarom uitsluitend op de periode na 27 maart 2026 tot de opheffing van de bewaring.
Eiser bracht geen gronden aan die het voortduren van de bewaring in deze periode onrechtmatig zouden maken. De rechtbank zag ook ambtshalve geen reden om het voortduren van de maatregel als onrechtmatig te beschouwen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.